Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Achban dankte Jehova, Die hen uit zoo vele en veelsoortige gevaren had gered, en luide stemde Elingêzer in met de dankzegging van zijn redder. Maar tevens sprak Elingêzer in zijn hart een gelofte voor Jehova's aangezicht. Den man, die in zoo honderdvoudige gevaren zijn leven had gewaagd tot redding van zijn slaaf, — dien man zou dat geredde leven toebehooren levenslang. Bij hem gold de beweegreden, die het vijfde boek van Mozes 1} den vrijheidafwijzenden slaaf in den mond legt: „ Ik zal niet van u uitgaan; omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is."

Sjamirs verbintenis is geschied. De beurt is nu aan Elingêzer om — zoo hij niet nog terugtreedt, en hoe zou hij dat kannen? — naar de Wet2) zijns Gods zich te verbinden aan zijn meester.

Aan het eerste voorschrift der Wet was reeds voldaan. In het tweede boek van Mozes staat geschreven: „ Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw, en mijn kinderen lief; ik wil niet vrij uitgaan, zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen."

Wie de zienswijze van het volk Juda niet deelen, en zijn spreekwijzen dus niet uit het rechte oogpunt beoordeelen, staan hier aan een zeer groote kans van misverstaan bloot. Zij denken bij dit „tot de goden" brengen aan veelgodendom. Vandaar tot de gedachte aan een vereeren van huisgoden is de afstand des te kleiner; omdat vele afgodisch gezinde Kinderen Israëls er, evenals de kinderen van den Mitanniër Laban, inderdaad een soort huisgoden s) op nahielden. En zoo zou dan de oordoorprieming merkwaardig veel gaan gelijken op een toewijding van den huisdienaar aan de goden van het huis.

1) Deuteronomium 15 : 16.

2) Exodus 21 : 1—6; Deuteronomium 15 : 16, 17.

3) Genesis 31. •

Sluiten