Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geldt in zulke tijden het oude woord uit het lied van Deborah „In de dagen van Sjamgar, den zoon van Nganath, in de dagen van Jaël hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen." Wij, eenvoudig gekleed, met geen voorwerpen van waarde , in groot getal, en welgewapend, vreezen geen aanval. Mocht exeen komen, oorlogstijd brengt — zelfs voor anders vreedzame lieden — genoeg opwinding mede om te maken, dat wij er niets tegen zouden hebben, het bloedige, opwindende krijgsspel ook eens te spelen. We zijn immers geen volk van zwakkelingen, die buiten het leger der huurti'oepen geen wapens hanteeren. Elk man heeft zijn wapenen bij zijn slaapstede hangen, en weet ze te gebruiken tegen wilde dieren, of om vrouwenschenners of inbrekers terug te slaan, indien het moet.

Niet om gebrek aan krijgshaftigheid zijn er buitenlandsche huurtroepen. Eenerzijds zijn zij er, omdat de tijden veranderd zijn. Onze vaderen van Ur, van Sippara en van Akkad veroverden het Westen met geweldige legers. De oude Egyptenaars hadden geweldige krijgsbenden. En de toenmalige Hethiten vormden, vereenigd, een onwederstaanbare macht. Later waren de Babyloniërs teruggedrongen en door de Elamiten verzwakt. De Egyptenaars hadden genoeg te doen in eigen omgeving. De krijgshelden uit Van oefenden op onze streken even weinig invloed als de oorlogen der Mykenische Danaërs bij ilion met de volken ten Xoordwesten der Hethiten zulks hadden gedaan. De Hethiten losten zich in een aantal afzonderlijke stammen op. De lieden van Mitanni of Paddan-Aram waagden na Koesjan Risjataïm geen grooten veroveringskrijg en werden zeiven verdeeld. Het oude rijk der veroverend-indringende Minaeërs ging over

1) Richteren 5 : 6.

Sluiten