Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet hoofd gewikkeld (soms met het haar er in) en dan opgebonden; en dikwijls spits torenvormig opgebouwd, alsof 't een Babylonische Koningsdracht1) was. Nu, zoo'n pëeer 2) is tenminste nog uit het volk van Ur herkomstig ; dat verzacht de ergernis nog wat; maar weekelijk is het tóch!

O dan zijn ze zoo mooi! Met hun stokken met bloemen en allerlei moois besneden en sommigen nog met allerlei mooie ringen mooi gemaakt. En zulke schepsels durven dan naar een zoon van Rechab zien, alsof hij een vreemd monster ware!

En de vrouwen? Och, spreek daar maar niet van. Die hebben altijd van die grillen gehad. Maar zoo als nu!! Wel, ik vraag het u: Kan een fatsoenlijke vrouw niet volstaan met de dracht van den ouden tijd? Laat de lijfrok dan wat langer en fijner zijn 3), daar zijn het zwakke vrouwen voor. Maar moet daarom zoo'n kethonet zoo lang wezen, dat hij tot over de enkelen nasleept 4) ? Moet het daarom zoo'n fijn linnen hemd wezen, als ze tegenwoordig sadien 5) noemen?

Och, Sjelomoh is een groot Koning geweest; wie zou dat tegenspreken? Maar, dat de Koningin van Sjeba (dat rijk dat het oude Priesterrijk der Minaeërs vervangen heeft) over zijn kleedkamers en over de kleeding zijner hovelingen B) verstomd moest staan, was toch werkelijk geen goed teeken.

\ an scharlaken en gouddraad 7) schitteren onze vrouwen

1) Ezechiël 23 15.

2) Jesaja 61 : 10; Ezechiël 24 : 17, 23.

3) 2 Samufcl 13 : 18, 19.

4) Jesaja 47 : 2.

5) Jesaja 3 : 23.

fi) 1 Koningen 10 : 5.

7) Jeremia 4 : 30.

Sluiten