Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

innerlijk, wat zij in haar verval geworden is: Kinderen van Ur, die vergeten Gods Kinderen te zijn. Mogen zij Baal niet vereeren en Asjtarte, — och dat is hun vrij goed; maar in plaats van deze herinneringen aan Bel en Isjtar dienen zij dan Jehova op hun Bamooth 1) en in hun gewijde bosschen in eigenwillige vroomheid en met Zijn aloude Wetgeving in flagranten strijd, alsof Hij een der afgoden ware uit de oude dagen van Ur.

Niet één, wellicht, onder hen, die er zich rekenschap van geeft, dat zij hierin in kwaden zin Kinderen van Ur zijn. Maar de keuze van de straf door den Rechter en de keuze van het geneesmiddel door Israëls Heelmeester, wijzen hierop onmiskenbaar als op de oorzaak. Daarom wijst Jehova door Ngamoos en anderen dreigend in de richting van Ur : Hebben zij in de woestijn de goden van Babel gediend, — naar Babel en Assyrië wijzen de schaduwen huns oordeels: „ Daarom zal Ik ulieden gevankelijk wegvoeren, ver boven Damaskus henen, zegt Jehova" 2). Babel zal hen van Babels afgoderijen moeten afkeerig maken. En Jirmejahoe predikt het ondubbelzinnig, dat Josjijahoe's reformeeren niet baten kan; maar dat de weg ligt naar het (ook volgens Jechezkeels 3) strafredenen) eens zoo aantrekkelijk gevonden land van Ur. Daar zullen de Kinderen van Ur met diepe smart moeten leeren de zonden van Ur te verafschuwen 4), zoo zij immer — na zich aan 5) de rivieren van Babel ballingen te hebben gevoeld — Gods Kinderen zullen zijn, en vinden zullen wat vagelijk en van verre begint op te doemen aan den gezichteinder der begeerten en verwachtingen van het

1) „ Hoogten

2) Amos 5 : 27.

3) Ezechiël 16 en 23.

4) Daniël 9.

5) Psalm 137.

26

Sluiten