Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de matstseebootli afbrak 1), was er achter liet liuis van Nathan-mêlech een onopgemerkt gebleven. Nu was Mesjelemjahoe zeer bevriend met zekeren Kalimma-sin, uit Damaskus herkomstig, die zich in deze streek metterwoon gevestigd had in de tijden van den laatsten inval der Assyriërs. Zijn Hebreeuwsche vrienden hadden daarover wel eens het hooid geschud, en hem gezegd, dat de Heilige Boekrollen ernstige waarschuwingen bevatten tegen zoo gevaarlijke vriendschappen; maar Kalimma-sin had Mesjelemjahoe's geheele hart gewonnen. Den raad zijner volksgenooten schreef Mesjelemjahoe aan naijver toe, en van den onbesneden vreemdeling wilde hij geen kwaad hooren. Langzamerhand begonnen de getrouwen aan den Grod van Israël, geestelijke besmetting duchtend, zich terug te trekken. Alleen Zichri de zoon van Michaël gaf hem nog niet prijs. Dat moet Mesjelemjahoe zeker voor zwakheid van overtuiging hebben gehouden ; — ten minste op zekeren middag nam hij Zichri mede naar de plaats, waar de vergeten matstseebah stond, •en stelde hem voor om dan de oude afgoderij weêr te gaan uitoefenen, tevens hem mededeelend, dat hij en Kalimma-sin (die inderdaad zijn verleider geweest was) nog drie anderen, die hij met name noemde, gewonnen hadden, dat Kalimma-sin vijf avonden later een vierde zon medebrengen, en dat hij nu zoo gaarne Zichri zou medenemen om niet bij Kalimma-sin achter te staan.

Hevig ontroerd had Zichri de uiterste krachtsinspanning noodig om zich te beheerschen. Maar (temeer, omdat een der verwachten hem niet hekend was, en dus — ontkomend — een nieuw brandpunt van besmetting zou vormen) hij betoomde zijn verontwaardiging. Hij sloeg den verleider niet ter aarde; maar wachtte zijn tijd af.

1) 2 Koningen 23 : 14, opgerichte zuilen.

Sluiten