Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oncler al deze beschouwingen is de zaak, waarvan wij straks spraken, tot beslissing gebracht. Jekoram van Kirjath-Jengarim verloor kennelijk terecht, zijn proces tegen Tob-Adonijah. Veroordeeld tot schadevergoedingen boete, weigerde hij botweg, hieraan te voldoen. Hoe ook van vele zijden vermaand, weigerde hij naar rede te hooren. Zegt ook al de Wet '): „ f^ij zult doen naar het bevel des woords, dat zij u zullen aanzeggen, van diezelve plaats, die Jehova verkiezen zal, en (Tij zult waarnemen te doen naar alles, wat zij IJ zullen leeren. voor Jehoram was dit als niet geschreven. Zoomin als de daarop volgende nadrukkelijke herhaling: „Naar het bevel der Wet, die zij U zullen leeren, en naar het oordeel, dat zij U zullen zeggen, zult gij doen, gij zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechter- of ter linker-hand. Maar Jehoram hoorde niet. Zijn zaak bepleiten voor den Koning of het Oppergereehtshof te Jerusalem wilde of durfde hij niet. I itvoeren, wat hem door de lagere rechtbank bevolen was, daaraan dacht liij evenmin. Zoo kon de botsing niet uitblijven. Aan een laatste sommatie heeit Jehoiam nogmaals volgzaamheid geweigerd; en nu heeft hij hier het vreeselijke vonnis 2) der Wet tegen zich hooren eischen. Zijn laatsten kans op redding heeft Jehoram prijsgegeven door ook tegenover het Oppergerechtshof een aanmatigende en vijandige houding aan te nemen en ten einde toe % ol te houden, hoe klaar ook zijn ongelijk en zijn onredelijkheid blijken, en hoe ontzettend ook aan het licht komt, in wat mate hij zich aan de andere Ixecliters heelt vergrepen. Ware nu hun uitspraak verkeerd geweest, en het recht van Jehova's inzettingen aan Jeliorams zijde, dan

1) Deuteronomium 17 : 8—11.

'i) Deuteronomium 17 : 12, 13.

Sluiten