Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kennen. Zoo ging de eerste helft der zeventiende eeuw voorbij en brak het merkwaardige jaar 1648 aan. In hetzelfde jaar, dat de beroemde vrede van YVestfalen gesloten werd, had er aan de Kaap iets plaats, hetwelk de gewichtigste gevolgen zou hebben voor de toekomst van Zuid-Afrika: in dat jaar toch leed een Hollandsch koopvaardijschip, »de Haarlem", uit Oost-Indië komend, schipbreuk in Tafelbaai. Gelukkig wisten de schepelingen zich te redden ; doch ze moesten daar vijf maanden blijven, alvorens met een ander schip naai' Holland te kunnen terugkeeren. Vijf maanden lang in een woest, onherbergzaam land, waar het krioelt van leeuwen en tijgers en ander wild gedierte — 't was waarlijk geen benijdenswaardige toestand, waarin de schipbreukelingen zich bevonden. Doch de Hollanders bekeken de zaak niet slechts van de donkere zijde. Practisch als ze waren, gingen ze al spoedig op verkenning uit, onderzochten den omtrek, en — de indruk, dien ze ontvingen, was zóó gunstig, dat twee hunner, Leendert Janszoon en Nicolaas Prooty na hun terugkomst in Holland een memorie indienden bij het bestuur van de Oostindische Compagnie, met het verzoek, aan de Kaap een fort te bouwen en een tuin aan te leggen, opdat alle schepen, daar passeerende, zich van het noodige konden voorzien.

Dadelijk werd nu de chirurgijn Jan van Riebeek geraadpleegd, die aan de Kaap goed bekend was. Het gevolg was. dat de Compagnie besloot de Hollandsche vlag in het zuidelijk deel van Afrika te doen wapperen. Den 23sten December 1651 staken drie schepen in zee : het waren de Drommedaris, de Reiger en de Goede Hoop. Op het eerste bevond zich Jan van Riebeek; hij was bij resolutie van de Kamer van Amsterdam «aangenomen in qualité als koopman en opperhoofd van het volk voor den tijd van vijfjaar onder een traktement van zeventig gulden 's maands." In het geheel bestond deze eerste expeditie, welke den grond legde tot de tegenwoordige Kaapkolonie niet alleen, maar ook tot de latere Roerenrepublieken, uitc.a. honderd vijfentwintig man. Het waren meest personen van minderen rang: soldaten, timmerlieden, metselaars, tuiniers, smeden e.a. Rovendien waren het niet uitsluitend Hollanders; ook Duitschers trof men onder hen aan. Met zijn juisten blik zag Jan van Riebeek al spoedig in, dat hier, in deze woeste maar hoogst vruchtbare streek, een toekomst was voor den landbouw. Daarom ontsloeg hij reeds in het jaar 1657 eenige der getrouwste dienaren en stond hun toe, voor eigen rekening het land te bebouwen. Zoo werden deze beste elementen in de plaats van dienaren onderdanen van de Compagnie.