Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

He Gronte Trek.

Een dertig jaar gelede trok noordwaarts in die woestijn Een klompie mense, droef van hart en vol van smart en pijn,

O'er smaad en onrecht, aangedaan door vreemde heerschappij,

Ja! Heen! in kommer, nood en dood, zoolang maar vroom en vrij.

Bij ongelukken zuur en zwaar en ook bij rampen groot,

Het hulle gevech manmoedig tot in die koue dood!

Ga, lees hun tocht, ga, leer. hun strijd en tel hun heldental,

Vergeet ook nie die klompie, die bij Dingaan is geval.

Daar's Wepener, Uys, Pretorius, Joubert en ook Villiers,

Ik kan nie al die name noem dier trotse helden rij,

Daar zijn nog Trickard, Potgieter, Joubert, Smit Roos, en al Die duizende, die met Retief en Maris streden tot hun val.

Zoo was dan eindelijk het besluit genomen: de Boeren zouden het land verlaten, waar hun vaderen weleer als de eerste pioniers op het veld van beschaving waren opgetreden. Verlaten zouden zij het oord, waar zij zooveel lief en leed met gade en kroost gedeeld hadden. Ze wisten, dat ze met enorme bezwaren zouden te kampen hebben, dat ze, in een vijandelijk land, door wilde dieren en woeste stammen besprongen, de vreeselijkste gevaren te doorstaan, de grootste ellende zouden te lijden hebben. Maar God de Heere zou hun schreden richten, hen bijstaan in de ure van gevaar en hen leiden naar het Beloofde Land.

Hij sal ons redding skenke,

Met sijne sterke hand;

Hij sal an ons gedenke;

Hij geef gewis ons land.

Want Gij, o Heer! is meerder Dan alle volk te saam,

Daarom sal ons te eerder,

Steeds lowe uwe naam!

Sluiten