Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het gevecht en verklaren, niet tegen Engelsche troepen te willen strijden. En wat doet Richardson nu? Hij ontneemt den Boeren de wapenen en stuurt ze daarop «huis toe!' Natuurlijk dat dezen daar in het geheel niet van gediend waren. Men had hun de middelen ontnomen om op de jacht te gaan; hoe zouden ze verder in hun levensonderhoud voorzien? Ze protesteerden dan ook tegen deze ergerlijke daad van willekeur: vruchteloos echter. En toen ze afgevaardigden zonden naar Kaapstad, werden dezen zelfs in 't geheel niet tot den Gouverneur toegelaten. Zoo hadden de Engelschen dus ook hier de gemoederen aan het gisten gebracht, en toen Sir Harry Smith in het begin van 1848 den Vrijstaat bezocht, vond hij aldaar een sterke anti-Engelschgezinde partij. In plaats van hiermede rekening te houden, liet hij zich door de veel zwakkere partij bewerken, die op de hand van Engeland was, en dus proclameerde hij »al het land benoorden de Oranjerivier, insluitende het grondgebied van Moshesh, Moroko, Moletsani, Sikonyella, Adam Kok, Gert Taaibosch en andere kleinere hoofden, ten noorden tot aan de Vaalrivier en ten oosten tot aan het Drakengebergte" tot Britsch gebied. Het was den 2 Februari van het jaar 1848, dat de nieuwe gouverneur deze proclamatie afkondigde. Ze wekte groote verontwaardiging bij'de vrijheidlievende Boeren. Vooral Pretorius toonde er zich gebelgd over. Hij was intusschen de man er niet naar, om zich door deze daad van willekeur schrik aan te laten jagen. Nauwelijks heeft hij van het befaamde staatsstuk kennis genomen, of hij rust zich tot den strijd toe, en niet eerder zal hij de wapens nederleggen, of zijn volk moet vrij en onafhankelijk zijn.

In de eerste plaats richtte hij een adres tot sir Harry Smith. waarin hij verklaarde, dat verreweg de meerderheid der Vrijstaters een republiek wenschten. Het antwoord was niet malsch: De gouverneur wees op de stamverwanten in de Kaapkolonie, die onder Engelsch bestuur het vette der aarde genoten, wol, koren, schapen, paarden en rundvee verkochten, de weldaden en het geluk deelden van een beschaafde omgeving en des Zondags in fraaie rijtuigen naar de kerk konden rijden. Maar ook waarschuwde hij hen voor de ellenden des oorlogs. die niet zouden uitblijven, wanneer ze zich oproerig mochten toonen, en zijn goede bedoelingen bleven misduiden. «Want" — zoo schreef hij — in dit leven is men verplicht aan de edelste gevoelens grenzen te stellen. Helpt mij, bid ik u, dut ik niet genoodzaakt moge zijn, die te overschrijden, en laat liever ons gemeenschappelijk gebed ten hemel gezonden worden!" De bezadigde taal van Sir Harry Smith bracht

Sluiten