Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedurende de bangste tijden met pen en taal voor de vrijheid van hun aangenomen vaderland hebben gestreden: Willem Eduard Bok en Dr. E. J. P. Jorissen. Ziedaar de mannen, die heden de grieven deiBoeren aan Sir Bartle Fiere zullen blootleggen; — »het verzoekschrift der Edelen", zouden we haast mogen zeggen, «aangeboden aan koningin Victoria van Engeland".

Aanvankelijk gedroeg de Hooge Commissaris zich zeer vriendelijk jegens de afgevaardigden; doch gaandeweg veranderde zijn toon en begon hij de Boeren met verwijten te overladen. »Gij noemt u een volk!" riep hij wrevelig uit, «doch gij vertegenwoordigt slechts een gedeelte ervan, en onder degeuen, die zich thans in uw kamp bevinden, zijn er een aantal, die zich alleen uit vrees bij u gevoegd hebben. Vrouwen, die ik op mijn reis ontmoet heb, hebben mij verhaald, dat hun mannen door uw bedreigingen verplicht zijn geworden naar het kamp te gaan, en hun, die zich daar uit hebben willen verwijderen, hebt gij met geweld belet, zulks te doen. Gij hebt u aan rebellie schuldig gemaakt, en streng kunt gij gestraft worden!" — Een donkere wolk trok over de aangezichten der Boeren Voor-mannen, op het hoorcn van deze leugenachtige taal; vooral op Kruger maakten de valsche aantijgingen van den regeeringscommissaris een geweldigen indruk; bliksemschichten flikkerden uit deoogen van Rustenburgs Leeuw; slechts met moeite bedwong hij zich. Kloek en mannelijk was zijn taal, en toen hij namens de afgevaardigden, namens zijn volk ook, naar voren trad, sprak hij met vaste stem: «Mijn geweten zegt mij, dat ik verantwoordelijk ben voor mijn daden, en ik zal mij daarvoor verantwoorden!" — Morrend gingen de afgevaardigden naar het volk terug. De gezant van Hare Majesteit had gedacht, met een toornigen blik en dreigende gebaren «dien lafhartigen Boeren" schrik aan te jagen. Helaas! Hij had zich deerlijk vergist, de verhouding werd met den dag onhoudbaarder, «Ie opstand stond voor de deur. Nog éénmaal deed het Volkscomité een poging om de zaak bij te leggen. Uit naam van het volk richtten nl. de heeren Pretorius, Viljoen en Bok een vurig adres tot de koningin van Engeland. «Wij smeeken u, —schreven zij daarin — maak een einde aan den ondragelijken toestand; wij smeeken u, geef ons onzen staat terug!"

Intusschen gebeurde er iets in d' Oranje-Vrijstaat, hetwelk voor de Transvalers van groot belang was en hun hoop niet weinig verlevendigde. Wel had president Brand zich van den beginne af buiten de kwestie weten te houden; doch thans werd het hem te machtig: met vijfen-

Sluiten