Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te winnen. Ijverig toog <1e nieuwe Transvaal National Union thans aan den arbeid, door tal van manifesten gaf zij uiting aan de grieven der vreemdelingen, lees: Engelsehe kapitalisten. Die grieven liepen hoofdzakelijk over de prijzen der steenkolen, het dynamietmonopolie, in- en uitvoerrechten, mijnbelasting enz., en herhaaldelijk werden deftige deputaties naar Pretoria afgevaardigd om liet vuurtje gaande te houden. Maar Oom Paul hield voet bij stuk en gaf den heeren rondweg te kennen: »ze konden op hullie kop staan, maar vrijen invoer of handel in dynamiet zou hij nimmer dulden!" Ook de taal- en stemrechtkwestie was een geliefd stokpaardje voor de Rhodesmannen. Ze maakten er de regeering een verwijt van, dat in de gesubsidieerde scholen het onderwijs in het Hollandsch gegeven werd en dat dit ook de ol'iiciëele taal was. En het ergste kwam nog — duizenden knapen en meisjes, Engelsehe natuurlijk, groeiden in onwetendheid op! De heeren vergaten er bij te zeggen, dat de regeering even goed subsidies verleende aan scholen, waar Engelsch werd onderwezen, mits ze de zekerheid had, dat ook het Hollandsch eenige uren in de week een beurt kreeg. Wat de stemrechtkwestie betreft, ze vroegen alleen maar stemrecht, naturalisatie was huns inziens niet noodig. Zeker, de heeren waren tevreden met de lusten, de lasten lieten ze bescheiden voor de Boeren liggen. Zulks bleek o. a. duidelijk in het jaar 1893. Toen in dat jaar namelijk oneenigheden met de kaffers te Zoutpansberg uitbraken, en Piet Joubert te Pretoria verscheen om de dienstplichtigen op te roepen, gaven de Hollandsche en Duitsche jongelui hieraan dadelijk gehoor en meldden zich aan voor den dienst; maar de Engelsehe heertjes toonden daar al bitter weinig lust in en bleven liever een partijtje biljarten of de jongedames gezelschap houden. Ze waren immers Britsche onderdanen, waarom zouden ze dan hun leven in gevaar stellen voor de «vervloekte" Boeren? Die onrechtvaardig behandelde Engelsehe jongeheeren schreeuwden moord en brand over dergelijke boeren-brutaliteit, de edele predikanten weenden over hun zwaar beproefde kudden, — Leiden was in nood. Britsche onderdanen waren de heertjes; maar toch wilden zij wel mededoen aan de verkiezing van den Volksraad; zoetjes aan konden ze dan natuurlijk hun vriendjes in dit lichaam brengen en dan was de zaak in orde. 't Was van den beginne een doorn in hun oog geweest dat eigenzinnige bestuur van die domme, ouderwetsche, stijf-Calvinistische Boeren, die «achterlijken", «dat domste volk ter wereld", zooals Lord Wolseley in zijn hoogwijsheid hen betitelde. Heftig werd door de «uitlanders", in hoofdzaak een samenraapsel van Europeesche, Amerikaansche en

Sluiten