Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

League," deelden den staatssecretaris en den staatsprocureur, den Heeren Frank William Reitz en J. C. Sinuts, mede, dat zij van plan waren de South African League in het Amphitheater bijeen te roepen, en vroegen daartoe verlof aan. Hun werd medegedeeld, dat hiertoe geen verlof der autoriteiten noodig was, en dat zoolang de vergadering niet tot ongeregeldheden of rustverstoring aanleiding gaf, zij volkomen binnen hun rechten zouden handelen. Hun werd echter tevens aan het verstand gebracht, dat de League door de houding en de propaganda, die zij maakte, zeer onpopulair was bij een groot deel van de bevolking van Johannesburg, en dat er hoogst waarschijnlijk rustverstoring zou plaats hebben, zoo niet een sterke politiemacht aanwezig was. Daar schenen de heeren intusschen weinig van gediend; althans zij beweerden, dat de politie na het Edgar-geval in minder goeden reuk stond en dat de vergadering een kalm verloop zou hebben. Ze verzochten derhalve, de politie achterwege te laten. De Staatsprocureur en de Staatssecretaris correspondeerden daarop met de hoofden van de Johannesburger politie; en op advies van dezen werd aan de politiebeambten last gegeven, zich van deze vergadering weg te houden. De heeren hadden dus hun zin en konden tevreden zijn. De voorgestelde vergadering bleek evenwel lang geen stille te zijn. Ze was wijd en zijd geadverteerd, en daar het gevoel onder zeker deel der Witwatersrandbevolking tegen de League zoo bitter was, kwamen ook tal van opposanten derwaarts. Weldra ontstonden er wanordelijkheden; men raakte over en weer slaags, en toen eenige minuten later de politie op het tooneel verscheen, was de vergadering al opgebroken. Voor een ieder is het zoo klaar als de dag, dat de heeren van de League zelf de schuld van dit spectakel waren. Anders evenwel dacht heer Chamberlain erover. Het Amphitheatergeval leverde z. i. het duidelijk bewijs, hoe onbekwaam de politie aan den Witwatersrand was om zijn plicht te vervullen en de orde te handhaven. Intusschen viel het de regeering der Zuidafrikaansche Republiek gemakkelijk, ook deze beschuldiging glansrijk te wederleggen. Ze deed het op de haar bekende kalme, bezadigde, waardige wijze, en voegde er o. a. bij: «Hare Majesteits Regeering zal gereedelijk erkennen, dat geen staat ter wereld, hoe zwak en nietig ook, die eenig eergevoel bezit, zulke dingen anders dan met leede oogen kan aanzien, en wanneer de relatiën der twee regeeringen gespannen worden, dan moet de ware oorzaak in deze handelwijze harer onderdanen gezocht worden, welke niet door Harer Majesteits Regeering wordt afgekeurd, en niet in denkbeeldige of beuzelachtige grieven."