Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spoediger bereid om de liand van verzoening aan te nemen, woidtdie hun toegereikt."

Vrijheidlievend zijn de Boeren in hooge mate. Liefhebbers van de jacht' en van jongs af met het geweer vertrouwd als met een stuk speelgoed, zijn ze uitmuntende schutters en paardrijders. Haidrijden (races) en schijfschieten (teekenskiet) zijn de meest geliefkoosde uitspanningen van het jonge volkje. Maar niet alleen de mannen en jongens — ook de vrouwen en meisjes hanteeren met groote vaardigheid revolver en Mauser en toonen zich uitmuntende Amazones.

De Engelse hen hebben de »dammed Dutchmen," gelijk ze de Roeren noemen, vaak beschuldigd van luiheid. Niets is minder waar dan dat. Wel laat de Boer bij voorkeur het werk aan zijn zwarte knechts over en houdt hij zelf toezicht op het vee; we moeten echter in aanmerking nemen, dat de buitengewone vruchtbaarheid van den bodem, gevoegd bij de groote uitgestrektheid van de boerderijen, haid werken ten eenen male overbodig maakt en het den gelukkigen eigenaar vergunt, als Heerboer een vrij gemakkelijk leven te leiden. Daarbij dienen we niet te vergeten: de Boer stelt geen hooge levenseischen; geld heeft voor hem lang niet zooveel waarde als voor ons, beschaatde westerlingen', hij is met weinig tevreden; alleen houdt hij van vrijheid en ruimte, zijn boerderij moet minstens zoo groot zijn, dat hij een uur of wat noodig heeft om die met vrouw en kinderen rond te rijden, en als hij met zijn scheepskijker gewapend van uit zijn veranda den blik laat weiden over zijn talrijk vee, dan moet hij niet kunnen zien, waar zijn land ophoudt. Hij klaagt al heel gauw: «onshet hier al te banje mense!"

zegt Dr. Aitton.

Evenals de Hollander, is ook de Boer gastvrij. Geen reiziger klopt aan zijn deur, wanneer dan ook, of hij vindt er een onderdak niet alleen, maar ook spijs en drank, terwijl hem een eereplaats in den familiekring wordt bereid. En dat alles om niet; het fooienstelsel van de beschaafde Europeanen moet "ge bij den eenvoudigen Boer niet zoeken; wat meer is, hij zou u kort en goed de deur wijzen, zoo ge hem daarmee aan boord mocht komen. Het eenige, wat hij van den vreemdeling vraagt, is: eenvoud en bescheidenheid. Windmakerij duldt hij niet, evenmin als Oom Paul. Als men zoo dom is, zich tegenover hem parmantig aan te stellen, is men in eens en voor altijd bij hem

uit de gratie.

Er is wel eens beweerd, dat de Boer achterdochtig is en den vreemdeling niet licht vertrouwt. Nu, daar is wel wat van aan. De bittere ervaring