Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doch zij hadden het vermoedelijk geheim gehouden. Zoo duurde het tot September 1886, dat hier het eerste huis gezet werd; het diende nl. tot kantoor van den landdrost. Naar den Witwatersrand verlegde zich de stroom van gouddelvers. Niet alleen kwam het edel metaal daar overvloediger voor dan elders, maar ook was het er veel gemakkelijker te voorschijn te brengen. De Boeren mochten inderdaad gelukkig heeten; tot fabelachtige prijzen verkochten ze hun »plaatsen". Drie jaar later telde Johannesburg, aldus naar een schoonzoon van Paul Kruger genoemd, reeds 132 duizend inwoners en nog steeds groeit het getal aan. En inderdaad zelfs de stoutste verwachtingen werden overtroffen; alle andere goudvelden in Zuid-Afrika werden in de schaduw gesteld door die van den »Rand", en met recht mocht Johannesburg haar bijnaam: »the Golden City' behouden. Gelijk Kimberley werd deze Transvaalsche stad een Zuidafrikaansch Parijs: overal weelde en pracht, winkels en spiegelruiten, opera's en schouwburgen, bars en cantines, sociëteiten en clubs, trams en hotels met duizend kamers, zes verdiepingen hoog. En overal werden schachten en tunnels gegraven, putten geboord, werkplaatsen aangelegd, reusachtige machines geplaatst; — op het eind van 1887 reeds werkten er ongeveer 78 verschillende maatschappijen met een gezamenlijk kapitaal van vier millioen pond sterling. Gelijk Brugge in den tijd der Bourgondiërs, en Utrecht vóór dien de wereldmarkt was, waar alle natiën vertegenwoordigd waren, zoo wemelt Johannesburg van vreemdelingen, dooide speculatiezucht uit alle oorden hierheen gebracht. „Russische Joden en Polen — zegt Olive Schreiner — zijn hier bij duizenden, en zoeken in Zuid-Afrika vrijheid van verdrukking, welke vrijheid dat verguisde ras in hun eigen geboorteland werd ontzegd; mijnwerkers van Cornwallis en Northumberland, werklieden uit alle deelen der aarde; 1' ransche, Duitsche en Engelsche handelslieden, terwijl op de Beurs mensehen worden gevonden van iedere huropeesche nationaliteit, ofschoon de Jood wel in de meerderheid is. In den loop van den dag komt men in aanraking met mannen van allerlei slag: Uw huisknecht mag een Kaffer zijn, uw bakker is een Engelschman, uw waschvrouw is een bastaard, uw slager is een Hongaar, de man, die uw schoenen verzoolt, is een Duitscher. Gij koopt uw groenten en vruchten van een Indischen koelie, uw steenkool van een Chinees om den hoek; uw kruidenier is een Russische Jood en uw beste vriend een Amerikaan."

Wilt ge werkelijk een fraai gezicht op de „goudstad" zelf hebben, — ga dan naar Doornfontein, de wijk, die bewoond wordt door de ai isto-

Sluiten