Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XX VII. De Guerilla.

Neen, de oorlog was niet uit, al mochten de Jingo's juichen, al mocht het Londensch publiek het uitgieren van pret. Cronjé mocht gevangen genomen en Joubert heengegaan zijn, — er waren nog commandanten genoeg, die de taak van deze kloeke leiders konden en ook wilden overnemen, mannen met durf en blakend van vrijheidsliefde. Allereerst de brave Louis Botha, de jongste der generaals, de man van de «grande guerre," in wien Sir Redvers Buller zijn meester gevonden had. Slank en buigzaam van gestalte, heeft de nieuwe opperbevelhebber een energiek gelaat, een paar trouwe oogen, blond baardje en dito knevel, en een mond, die zich gauw tot een glimlach plooit. Botha is in alle opzichten een «heer". Hij kent alle vormen der Europeesche samenleving, spreekt en schrijft uitstekend Hollandsch en teekent reeds bij zijn eerste verschijning den man van beschaving. Jaren lang vertoefde hij in den Vrijstaat, waar hij tal van familieleden telt. Zijn burgers achten hem om zijn rechtschapenheid en welwillendheid, zijn onvermoeide werkkracht en zijn tactische bekwaamheden. Zijn woord is hun een wet; zij doen voor hem alles uit liefde en toewijding. Louis Botha en zijn broeders zullen doorvechten tot het uiterste. Hij zelf zal in liet Lijdenburgsche den rooies handen vol werk geven; Christiaan Botha zal in Natal de zaken regelen, en Piet Botha zal er niet tegen opzien met een troep dapperen de Kaapkolonie binnen te rukken om daar zijn slag te slaan. Laten Robert en Kitchener hun gerust zakken goud vóór houden om hen om te koopen; — ze zullen hou en trouw blijven tot in den dood, evenals «Willem Vader" te midden van kommer en gevaren.

Naast de Botha's staat Christiaan de Wet, de onvermoeide Vrijsta-

Sluiten