is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek der ziekenverpleging

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 2. De neusholte. Bij het ademhalen gaat de lucht, om in de 49 longen te komen, eerst door den neus en den mond. De neusholte is eene vrij groote ruimte, grooter dan men van buiten denken zou, en in twee helften verdeeld door een tusschenschot; zoodat men door elk neusgat in een andere ruimte komt. Dat tusschenschot loopt echter niet heelemaal tot achterin door, zoodat daar de beide helften weder in eene en dezelfde keelholte uitkomen. Ook de mondholte gaat, zooals we in § 3 van het vorige hoofdstuk gezien hebben, van achteren in de keelholte over, zoodat deze dus eene vereenigingsplaats is van vijf kanalen: de twee neusholten naar boven, de mondholte naar voren en de slokdarm en luchtpijp naar onderen. Neus- en mondholte zijn van elkander gescheiden door het gehemelte, dat dus tegelijkertijd de bodem van de neusholte en het dak van de mondholte is (fig. 2).

Doordat de openingen van do neusholte niet zoo wijd openstaan als de mondholte en doordat het neusslijmvlies zoo'n rijk net van fijne bloedvaatjes voert, wordt de lucht daarin beter verwarmd vóór ze in de longen komt dan door laatstgenoemd kanaal; vandaar de raad om met gesloten mond te slapen en om op straat indien het zeer koud is weinig te spreken. Ja, men maakt zelfs voor personen met groote gevoeligheid der keelslijmvliezen zoogenaamde contrarespirators, mondbedekkingen die met een paar elastiekjes om de ooren bevestigd worden en de lucht filtreeren voor zij in den mond komt en de eerste kou er afnemen.

De neusholte is van binnen bekleed met een vlies dat voortdurend een weinig slijm afscheidt; alle stofjes en ongerechtigheden uit de lucht blijven daardoor in den neus kleven, en zoo wordt de lucht vóór haar intrede in de longen gezuiverd.

Yan de waarheid hiervan overtuigt men zich het gemakkelijkst door des zomers na eene wandeling op een stoffigen weg zijn neus te snuiten; men zal dan verbaasd zijn zoo zwart als het neusslijm geworden is.

Behalve als voorportaal voor de longen dient de neusholte ook als orgaan voor het zintuig van den reuk. Het genoemde slijmvlies bevat n.1. een groot aantal fijne zenuwtjes die er in eindigen en waarmede we ruiken, welke gewaarwording zij naar de hersenen overbrengen.

De vele bloedvaatjes die er in het neusslijmvlies voorkomen ver- 50 klaren dat men zoo licht uit zijn neus bloedt. Neusbloedingen kunnen het gevolg zijn van verschillende oorzaken: van verwonding, veroorzaakt door een slag, een stoot of een val, of door den vinger gemaakt; verder tengevolge van hevigen bloedsaandrang naar het hoofd bij iemand wiens bloedwandjes zoo ziek zijn, dat zy gemakkelijk bersten; ook wel ten gevolge van het uitblijven van eene bloeding op eene andere plaats van het lichaam waar dit geregeld voorkomt,