Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze opmerking overbodig te zijn; „wat weten wij er ook van ?" denken zij, doch voor de ouderen, voor degenen die zelf al wat ondervinding gekregen hebben (of althans zich dit verbeelden) is de verleiding dikwijls groot om daarmede te schitteren en er eigenlijk misbruik van te maken. Daarenboven men houdt zoo dikwijls voor ondervinding wat het niet is; veel gezien hebben, een langen dienst achter den rug hebben kan veel ervaring geven, doch is nog niet hetzelfde als ervaring hebben. Het met oordeel zien, het vergelijken met vroeger bijgewoonde dergelijke gevallen geeft ervaring. En dit. is niet zoo gemakkelijk als liet schijnt; er zijn heel wat menschen die veel gezien hebben en toch maar een schijntje ondervinding hebben.

Staat bij de behandeling van sommige zenuwziekten het vertrouwen in den medicus bovenaan, in alle gevallen is dit van het grootste gewicht, minstens voor de zedelijke rust van den patiënt. Eene verpleegster, wier werkkring met enkele woorden omschreven kan worden als te zijn de hulp van den dokter, moet dus in de eerste plaats het meest vaste vertrouwen van den patiënt in zijn goed inzicht en behandeling aankweeken en onderhouden. Daarom mag ook bij haarzelve nooit de minste twijfel aan het doeltreffende van een gegeven wenk opkomen. Geneesheeren zijn evenmin als andere menschen onfeilbaar;

279 meent dus eene verpleegster op grond van haar gezond verstand, van hetgeen zij geleerd heeft of op grond van hare voortdurende waarneming van een patiënt, dien de dokter slechts gedurende een korten tijd van den dag, misschien slechts weinige malen in de week ziet, dat een of ander gegeven opdracht wezenlijk niet in zijn belang is, dan zal geen geneesheer haar kwalijk nemen indien zij dit op gepaste wijze, niet in tegenwoordigheid van den zieke opmerkt. Geen dokter verlangt eene verpleegmachine, maar wel degelijk iemand met oordeel; eene van de grootste moeielijkheden dunkt het mij dan ook voor eene verpleegster om hare verhouding tot dokter en patiënt juist te voelen, eene zekere zelfstandigheid te vereenigen met stipte gehoorzaamheid.

Ook echter nog in een ander opzicht. Een jong meisje dat, voordat zij zich aan haar tegenwoordig beroep wijdde, soirées en bals frequenteerde, daar misschien erg gefêteerd werd, de heeren voor zich zag buigen en allerlei kleine attenties bewijzen en hen als hare onderdanige dienaren leerde beschouwen, zal nog lang iets in hare houding en manieren vooral tegenover heeren en zelfs tegenover den dokter blijven behouden, waarop de vormen van het maatschappelijke leven haar vroeger recht gaven. Toch moet dit uit zijn, zij zal zich voortaan niet meer nommer één der schepping mogen voelen, maar in liefde dienende juist haar levensgeluk zoeken in de mindere te wezen.

Nu de eisch van stilzwijgendheid. Deze geldt niet alleen met

Sluiten