is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn, en evenals de zonnen en de zonnenstelsels zich uit de oorspronkelijke stof, de oermaterie, die in nevel vorm onmetelijke ruimten van het heelal opvulde, volgens bepaalde wetten hebben verdicht, zoo is ook het leven op aarde van de eenvoudigste vormen uitgegaan, totdat het langs een eindeloos lange keten van ontwikkelingstoestanden i) ten laatste de hoogst ontwikkelde schepselen, aan wier spits de mensch, het hersendier bij uitnemendheid, voortbracht. Eerst in het allerjongste verleden der aardgeschiedenis is het den mensch gelukt, niet zoozeer door lichamelijke voordeelen, dan wel door zijn geestelijk overwicht, zich boven alle medestrevende dieren te verheffen en zich tot heer der schepping op te werken.

Doch zijn geschiedenis, die door de lange ontwikkelingsketen, die hem eindelijk voortbracht, wordt voorgesteld, moeten we ons even oud denken als het gansche leven op aarde. Door onvermoeide nasporingen van den laatsten tijd leeren wij zijn verleden, ook met betrekking tot de aardgeschiedenis, steeds beter kennen.

Hoe verder wij in de geschiedenis der aarde teruggaan en de sporen van het menschelijk bestaan in de door het water afgezette gesteenten — de z. g. sedimentgesteenten — waarin zijne overblijfselen getrouw bewaard bleven, trachten te volgen, des te eenvoudiger en nietiger zij worden, totdat zij ten slotte geheel verloren gaan in de sporen van den stam der gewervelde dieren, van welken de mensch de hoogst uitstekende tak is. Ja,

1) Volgens <le tegenwoordig heerschende begrippen heeft liet leven op aarde niet onbegrensd lang geduurd en behoeft de ontwikkeling op de hoofdlijnen van den stamboom van het planten- en dierenrijk niet altijd onmerkbaar langzaam te hebben plaats gehad, gelijk men vroeger aannam. De meening van een onmerkbaar langzame ontwikkeling heeft in den laatsten tijd, vooral door de schoone onderzoekingen van Hugo de Vries, moeten wijken voor de overtuiging, dat de ontwikkeling stapsgewijze plaats heeft en dat nu eens snel achtereen, dan weêr na lange rustperioden de stappen elkander hebben opgevolgd.

Hierdoor en door het feit, dat veel wat vroeger een plaats op de hoofdlijnen van den stamboom werd gegeven, nu als tot de zijtakken behoorend beschouwd wordt, zullen we ons het proces der evolutie belangrijk korter moeten voorstellen dan men vroeger deed. (Zie hierover: Prof. Hugo de Vries, Experimenteeleevolutie, No. 13 der Wereldbibliotheek). Toch ontneemt deze nieuwere zienswijze ons niet het recht, den duur van het leven op aarde op verscheidene millioenen jaren te schatten. (Noot v. d. Bew.)

I *