is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

entegen frisch uit en zijn aan de oppervlakte zonder oi met geringe patina. 1) De vuursteenen zijn hier dus op de plaats zelve door den miocenen lavastroom overdekt.

Klaatsch vond, bij zijn laatste bezoek aan de beide vindplaatsen, in September 1903, 40 silexstukken, die hij stellig voor bewerkte stukken houdt, en waarmede vele zijner collegas, die ze gezien hebben, instemmen, o. a. Dr. Eduard Krause van het museum voor Volkenkunde te Berlijn, een autoriteit op dit gebied.

Behalve ruwe brokstukken van natuurlijken vorm, vindt men daar talrijke vuursteenen met duidelijke retouchen, die zich deels tot schaven en krabben, deels tot snijden zeer goed leenden. Verscheidene dezer eolieten schijnen

zonder verdere bewerking als werktuigen gebruikt te zijn, wanneer zij eenigszins regelmatig van vorm waren. Die, welke minder geschikt bevonden werden, maakte men bruikbaar, door met andere steenen de, voor het in de hand houden, hinderlijke kanten af te slaan, die in zulke vormen onmo¬

gelijk toevallig ontstaan kunnen zijn. Zeer talrijk werden vuursteenen aangetroffen, die men kunstmatig van scherpe kanten voorzien had en die door het langdurig gebruik bot waren geworden, ja, die men soms opnieuw van scherpe kanten voorzien had. Voor deze vernieuwing van de scherpe kanten door het aanbrengen van retouchen moeten langwerpige steenen als hamers gebruikt zijn, die eveneens gevonden werden.

Als uitkomst van de zeer nauwkeurige studiën, die de bevoegde onderzoekers aangaande deze tertiaire silexwerktuigen uit de miocene zanden van het departement

1) Dunne witachtige korst, tengevolge van de verandering der vuursteenoppervlakte tot stand gekomen.

Fig. 7 en 8. Ruw behakte, tot werktuig gebruikte vuursteen van dezelfde vindplaats te Otta in Portugal niet nog aanklevenden zandsteen, waaruit hij door C. Ribeiro werd te voorschijn gehaald. Voorzijde en achterzijde (2/g van de natuurl. grootte).