Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Cantal hebben gemaakt, zegt Klaatscli in zijn nieuwste aeschrift woordelijk het volgende: „Daar nu de geologische zijde van het vraagstuk volkomen duidelijk is, zoo kan men onmogelijk aan de gevolgtrekking ontkomen, dat gedurende het^ tertiaire tijdvak in het tegenwoordige Frankrijk een wezen heeft geleefd, dat vuursteenen tot primitieve werktuigen vervormde.

In den laatsten tijd heeft Prof. Max Vermom met ondersteuning van het Koninklijk Genootschap der W etenschappen te Güttingen uitgebreide opgravingen op dezeltde vindplaatsen in Auvergne gedaan en als uitkomst van dit onderzoek in zijne voorloopige mededeelingen de aanwezigheid van een reeds vrij ver gevorderde cultuur aan het einde van den mioceentij

vastgesteld. _ .

In ongestoorde, door vulkanische producten beder e

zand- en rolsteen-

lagen, wier ouderdom wegens de bijgemengde overblijfselen van het driehoevige paard, Hipparion, en van

het reusacntige slurfdier, Dinotherium, beslist mioceen moet zijn, vond hii talrijke

vuursteenen met bruine en zwarte patina, waaronder een zeer groot procent een duidelijke bewerking^ verraadt. Volgens zijn voorloopig, in de „Umschau" van 26 Augustus 1905 verschenen bericht, vond hij bij zijne opgravingen te Puy-Boudieu 30 procent, te Puy-Courny 24 procent, bij Beyrac 20 procent; bij Belbex 16 procent duidelijk bewerkte vuursteenen. Het aantal stukken met twijfelachtige bewerking was te PuyBoudieu, de voornaamste vindplaats, zeer groot, nl. 50— 60 procent; het aantal stellig niet bewerkte daaren-

Fig 9 en 10. Behakte vuursteenwerktuigen door Dr. J. B. Rames in het jaar 1877 in het bovenste mioceen van Puy-Courny en Belbex bij Aurillac in Zuid-t rankrijk uitgegraven. (2/g der nat. grootte).

Sluiten