Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegen betrekkelijk klein, slechts ongeveer 15—20 procent.

Wat nu de beslissing aangaande het al of niet bewerkt zijn der vuursteenen betreft, zoo meent deze schrijver, dat de beide gebruikelijke kenteekenen eener bewerking, nl. het voorhanden zijn van de sporen eener vormverandering door hakken en door slaan en de aan één zijde voorkomende rijen van slagmerken aan de randen der vuursteenen ieder op zich zelf nog geen onfeilbaar teeken eener opzettelijke bewerking is, doch houdt het er voor, dat bepaalde verbindingen dezer verschijnselen met besliste zekerheid tot eene kunstbewerking kunnen doen besluiten. Wanneer bijv. aan de voorzijde van een plat stuk vuursteen duidelijk door afslaan verkregen ronde of ovale diepten met uitstekende randen, ringen, enz. en aan de rugzijde de negatieven van 3, 4, 5 in gelijke richting afgesprongen schilfers te zien zijn; wanneer verder aan één kant van het stuk talrijke nevens elkander loopende kleine slagteekens aanwezig zijn, die allen zonder uitzondering van dezelfde zijde van den rand zijn afgeslagen; wanneer eindelijk de overige kanten van den steen volmaakt scherp zijn en zonder ook de minste spoor van afrolling, dan kan men zeggen : het is een kunstprodukt.

Evenmin als nu een palaeolitische, d. i. tot de oudere steenperiode behoorende vuistwig of een neolitische d. i. voor den jongeren steentijd karakteristieken steenen beil van zelf, zonder de medewerking van een kunstmatig daarop uitgeoefende kracht van buiten ontstaan kan zijn, evenmin kunnen de eolieten, de primitieve vuursteenen werktuigen uit het tertiaire tijdperk aan het toevallig samentreffen van anorganische factoren hun oorsprong danken. Zulke vuursteenen, die ongetwijfeld bewerkt zijn, heeft Verioorn in grooten getale uitgegraven. Voornamelijk zijn het tot schaven en krabben gediend hebbende steenen, van den meest uiteenloopenden vorm, zooals rechte, holle en spitse schaven, met typisch, steeds wederkeerend karakter, en die vermoedelijk reeds tot het afkrabben van het vleesch der beenderen van den buit gebruikt werden; verder groote houweelen, die tot uitgraven der aarde bij het zoeken naar eetbare wortels

Sluiten