Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der buitgemaakte dieren, terwijl de zwakkere, door de moederschap meer aan de plaats gebonden vrouw zich meer aan de door hem met moeite bijeenvergaarde plantenkost hield en van den man slechts de overblijfselen van zijn vleeschmaaltijd ontving. Tegenwoordig zien wij bij de vrouw, evenals bij de kinderen, deze voorliefde voor

plantenkost voortbestaan.

Toch zal zeker in dien grijzen oertijd de honger een daeeliiksche gast geweest zijn van die slecht gewapende, voortdurend het wild najagende gezelschappen, die toen in Midden-Europa een kommervol bestaan moeten geleden hebben. Wij hebben alle recht om ons den pliocenen mensen van Europa als een slechts gebrekkig gevoed wezen voor te stellen, verstoken van eenig waardevol bezit, behalve enkele primitieve houten en steenen werktuigen. Toch was onze pliocene voorvader naar lichaamsbouw ongetwijfeld belangrijk menschelijker geworden dan de aapmenschfen van den mioceentijd. Wij mogen met grond aannemen, dat hy toenmaals slanke, middelmatig lange armen, weinig gespierde, maticr lange beenen, een over het algemeen slanken romp, een nog zeer laag voorhoofd, een vlak schedeldak, met o-eweldige, het dierlijke nog sterk uitdrukkende wenkbrauwbogen, een krachtig gebit met sterk vooruitstekende kaken, doch zonder kin, spitse ooren en een nog vrij sterke beharing moet gehad hebben. Wat de kleur der huid betreft, zij is stellig niet geweest een der uitersten van de hedendaagsche menschenrassen. Zijn gang moet nog eenigszins zwaar zijn freweest, zijn houding een weinig voorovergebukt, de teenen waren nog zeer bewegelijk, daar de voeten, evenals de handen, nog steeds als grijp werktuigen gebruikt werden. De middelen eindelijk om zich door de spraak uit te drukken, waren toen nog zeer ruw en onbeholpen, evenals zijne primitieve werktuigen. In elk geval was hij dus nog een diermensch, doch een, waarvan verwacht kon worden, dat hij eenmaal mensch zou worden.

Dat hij deze schrede omhoog tot de eigenlijke menschheid en naar een steeds toenemende beschaving kon maken, had hij te danken aan de niet alleen voor hem, doch ook

Sluiten