is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kleiner schaal zijn net van afvoerkanalen had ingesneden. Volgens dit grondbeginsel leidde men uit de in dwarsdoorsneden der dalen" aanwezige plotselinge veranderingen van het verval en uit de op verschillende hoogten langs de dalwanden ontwikkelde grindterrassen, door smeltwaterstroomen tot afzetting gekomen, af, dat er minstens vier, volgens de nieuwere onderzoekingen in de Alpen en in Engeland, zelfs 5 groote vergletscheringen moeten geweest zijn. .

De beste kenner dezer verschijnselen, Prof. Albrcc/it, Petick te Weenen, heeft, gemeenschappelijk met Prof. Briickner in zijn bekroond werk: Die Alpen i m E i sz ei tal ter de uitkomsten zijner eigen onderzoekingenen die van talrijke andere diluviaal-geologen voor iedereen begrijpelijk beschreven. Bij de volgende indeeling van den diluviaaltijd zullen wij ons in hoofdzaak aan zijne uiteenzettingen houden. Hij onderscheidt vier groote ijstijden, die hij genoemd heeft naar de vier zijrivieren van den Donau, in wier gebied de bedoelde grindterrassen met den daarbij behoorende puinwallen (moraines) het duidelijkst worden aangetroffen. Zoo noemt hij den eersten of den oudsten ijstijd naar de Giinz, de Günzvergletschering. Haar steenpuin, dat slechts op enkele plaatsen, ook m Zwitserland, bewaard is gebleven, noemt men het oudste dek puin (altere Deckenschotter). De rolsteenen van dit puin verraden reeds hun zeer hoogen ouderdom daardoor, dat alle kristallijne gesteenten tot op groote diepte zóó volkomen verweerd zijn, dat zij met een hamerslag dadelijk tot gruis uiteenvallen. Slechts de kwartsieten zijn daarin nog goed bewaard gebleven. De zandsteenen zijn eveneens sterk verweerd en zeer licht geworden. Vele rolsteenen zijn zoodanig uitgeloogd, dat zij geheel poreus zijn geworden en slechts de kwarts-bestanddeelen zijn overgebleven. Bij Rheinfelden o. a. bedraagt de dikte van dit

oudste terras 75 M.

De tweede ijstijd noemt Pcnck, naar de grindbanken der Mindel, de Mindelvergletschering. Door anderen worden deze rolsteenafzettingen dezer vergletschering de jongere dekpuinbank (jiingere Decken-