is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dr. II. v. Cappellc nam een zoodanig ontstaan aan voor eenige ronde plassen op het keileemoppervlak tusschen Oude- en Nijemirdum in Gaasterland, terwijl Dr. /. Loric de Derbingskuil bij Gieten in Drente en een aantal andere, soms met veen, soms ook met water gevulde diepten in de omgeving, als producten van het smeltwater der terugtrekkende gletschers beschreef.

Tijdens het langzaam teruggaan van het landijs ontstonden uit het gesteentepuin, dat in het ijs was ingesloten, op de grondmoraine of in haar plaats zand- en giintafzettingen met plaatselijke ophoopingen van groote steenen. Van deze afzettingen heeft het zg. dekzand de grootste verspreiding, daar uitgestrekte dekken er van op de hoogvlakte van Schonen, Denemarken, Sleeswijk-Holstein, Mecklenburg, Pommeren, enz. voorkomen.

Niet altijd is dit zand als een gelijkmatig dek ontwikkeld ; hier en daar vormt het, telkens afwisselend met een golvend oppervlak van keileem, uitgestrekte heuvelreeksen, die met zwerfsteenen overdekt zijn, en waai tusschen zich nu en dan veentjes en plassen zonder waterafvoer vertoonen.

Daar, waar het landijs tijdens de afsmelting tot stilstand kwam, omdat juist zooveel ijs wegsmolt als er van uit het noorden werd vooruitgeschoven, moesten groote gleuven ontstaan, die, nog versterkt door de rivieren, welke van de middengebergten kwamen, de aanzienlijke smeltwaterstroomen opnamen. Zulke gleuven noemt men oersti oomdalen of randdalen. Noordelijk er van bevinden zich de tijdens een langere stilstandperiode van de gletschermassa opgehoopte eindmoraines, in de gedaante van walvormige bodemverheffingen.

In het vóór deze stuwmoraines liggende gebied trett men grof gelaagd zand aan, dat naar het hoofddal toe steeds fijner wordt en voor de cultuur des te onvruchtbaarder is, naar mate het rijker is aan kwarts, dat na de verweering der overige gesteentebestanddeelen achterbleef. De zandafzettingen van dit voorland hebben het keileem of de grondmoraine, welke door de verweering in een i—2 M. dik zandig leem of leemig zand is overgegaan, bijna geheel overdekt.

4*