Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK III.

De mensch gedurende de eerste tusschenystijden.

Op de britsche eilanden, waarheen wij in de eerste plaats onze schreden moeten richten, drong in het midden van een ijsperiode het van het oosten en het noorden zich uitbreidende skandinavische landijs niet zeer diep het land binnen, daar alle gebergten van dit gebied zelfstandige middelpunten vormden, van waaruit geheel Schotland, üno-eland en Ierland, met uitzondering van den zuidelijken rand, met o-letschers overdekt werden, die ten slotte met de skandinavische gletschers tot één groot ïjsdek samenvloeiden. . , .

Vóórdat de eerste vergletschering tot stand kwam, leefde in Engeland in het allerjongste plioceen een rijke flora en fauna, die wij in het zg. Forestbed d. i. de boschlaao- van Cromer aan de kust van Norlolk, veel beter dan ergens anders op het vaste land kunnen bestu deeren. Deze, in brakwater tot afzetting gekomen groep van lagen, die op het jong-pliocene Crag van Norwich rust en onmiddellijk door echte glaciale afzettingen overdekt wordt, heeft den naam te danken aan de talrijke in een

bank voorkomende, samengespoelde boomstronken. De Hora bliikt zich reeds geheel naar de toenemende koude gevoegd te hebben, want zij is samengesteld uit eiken, eisen, dennen, sparren, taxusboomen, hazelnoten en andere planten. Veel rijker was de dierenwereld vertegenwoordigd, want de overblijfselen van niet minder dan 50 zoogdiersoorten zijn uit deze laag te voorschijn gehaald. In de eerste plaats treffen wij oude bekenden uit het plioceen aan nl. de reusachtige olifanten, den Elephas meridionalis of zuidelijken olifant en den E. antiquus; verder vermoedelijk ook reeds den mammoet, den Elephas primieren ius. Daarnevens treden twee neushoornsoorten op,

Sluiten