is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Siberië is voor ons een haast onuitputtelijke vindplaats van de overblijfselen van dezen reus uit den ijstijd. Volgens den russischen reiziger Middendorff moeten de mammoettanden, die, sedert de Russen zich in Siberië nederzetten, als fossiel ivoor van daar in den handel gebracht zijn, aan ongeveer 20,000 dieren hebben toebehoord. Jaarlijks komen minstens 100 paar mammoettanden in den handel, zoodat een niet onbelangrijk deel van al het ivoor, dat bewerkt wordt, van dezen uitgestorven olifant afkomstig is. Het is zeker hoogst merkwaardig, dat het ivoor van den diluvialen mammoet in den bodem van Siberië gedurende een tijdperk van ongeveer 10—20,000 jaren zóó goed bewaard is gebleven, dat het nog technisch bruikbaar is. Nog merkwaardiger is het, dat dit dier met zijn begeleider, den wolharigen neushoorn, nog in volmaakt goed bewaarde exemplaren, met huid en haar, met vleesch en ingewanden, ja zelfs met overblijfsels van het voedsel in bek en maag, bewaard is gebleven, als een stomme getuige van den ten einde geloopen laatsten ijstijd.

Men heeft de uitroeiing van den mammoet, evenals die der anderen met hem in den bevroren bodem van NoordSiberië gevonden dieren uit den ijstijd, aan ontzettende zand- en sneeuwstormen toegeschreven, zooals zij tegenwoordig nog in Siberië als buranen, in de steppen van Zuid-Rusland als wjuga en in Noord-Amerika als blizzard het van bosch ontbloote land teisteren. Deze meening, die vooral door Prof. Nehrine; in Berlijn wordt gehuldigd, kan niet als een hoofdoorzaak van het te gronde gaan van zóó enorme mammoetkudden worden aangenomen. De meeste mammoetlijken heeft men in kloven en spleten van den nog bewaard gebleven diluvialen gletscher, waarin zij vielen, ingevroren gevonden. Boven dezen ouden ijsbodem lag een met een humuskorst overdekte leemlaag, een verstuivingsproduct van de ontzettende zandstormen van Noord-Siberië, en die, toen de mammoetkudden hier rondzwierven, een rijken grasgroei voortbracht. Toen deze zware diergevaarten op deze noordsche steppe weidden, moeten zij dikwijls in de kloven en holten van den onder den leembodem liggenden gletscher gestort zijn, en zoo-