is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijgers, panters, beren, hyaena's en losschen op roof uit en lieten hunne akelige geluiden ver in 't rond weerklinken.

Met deze zoo talrijke dierenwereld is toen uit het Zuiden ook de mensch Midden-Europa binnengedrongen. Hij stond toen nog op een zeer lagen trap van ontwikkeling en zijne levenswijze verschilde weinig van dat der dieren. Met houten knuppels en met ruw behakte steenen ververweerde hij zich tegen roofdieren en tegen zijnsgelijken, en sloeg hij zijn buit, dien hij listig besloop, neder. Hij dronk begeerig het warme, nog rookende bloed en verslond rauw het vleesch zijner slachtoffers, bessen en andere vruchten slechts als toespijs nuttigend; want het vuur kende hij nog niet, zoodat zelfs een verwarmend haardvuur hem was ontzegd. Over het gansche lichaam sterk be haard, door de zon gebruind, aan alle weer en wind blootgesteld, ongewasschen, met woeste lange haren, trok hij reeds in kleine horden door bosch en veld, onder groote boomen en overhangende rotsen den nacht doorbrengend, terwijl hij zich tegen de koude van den nacht en tegen den regen zoo veel" mogelijk zocht te beschermen door huiden van buit gemaakte dieren, welke inwendig met dierlijk vet werden ingesmeerd.

Dit vel, een knuppel van hard hout en eenige behakte steenen maakten zijn eenig bezit uit. Deze steenen wapens waren nog dezelfde primitieve eolieten, die zijne voorvaderen reeds lang vóór den ijstijd, nl. gedurende het geheele plioceen, met geringe moeite uit vuursteen wisten Te slaan. Op talrijke plaatsen heeft men deze hoogst primitieve steenen werktuigen, die door de menschen van den oudsten tusschenijstijd moeten vervaardigd zijn, in groote hoeveelheid bijeengevonden. Hiertoe behooren o.a. de ruwe eolieten, die A. Rutot in de dalen van de Dendre bij Maffles en van de Haine en hare zijtakken en ook in het dal der Sambre vond, alsmede de rijke eolietenvondst van Mesvin tusschen Mons en Binche in Henegouwen, die reeds in 1868 door G. Neyrinckx bij een spoorwegaanleg te samen met mammoetbeenderen en overblijfselen van zijn begeleider, den Rhinoceros tichorhinus, gevonden werden. Deze neushoorn, die twee horens van buiten-