Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroeger meer vertegenwoordigt, vuursteen- en porfierietwiggen van het Chelleo-Moustérientype, gemengd met vormelooze stukken uit de eindmoraine en de grintafzettingen

o O

van den teruggeweken skandinavischen gletscher, waarvan geen fraaie wiggen te maken waren. De meeste dezer werktuigen lagen onmiddellijk onder de 7—10 M. dikke kalkafzetting, die het meer, toen het tot een hooger niveau omhoog rees, in den loop van een zeer lange periode moet hebben afgezet. Overblijfsels van planten, die in een gematigd klimaat thuis behooren, nl. stammen van berken, takken van den hazelnoot, afdrukken van loofbladen en dennenkegels vindt men hier met de beenderen van Elephas antiquus, Rhinoceros Merckii, den holenleeuw, den holenbeer, de holenhyaena, herten, den wisent, het wilde paard, het wilde zwijn, den bever en den wolf. Onder den kalktuf van Taubach treffen wij hier den mensch van den tweeden tusschenijstijd in Duitschland voor het eerst in een duidelijke kampplaats aan met de sporen van een kampvuur, met maaltijdoverblijfsels en met primitieve gereedschappen. Prof. Hermann Klaatsch uit Heidelberg, die de vindplaats zeer nauwkeurig bestudeerd heeft, schrijft er het volgende over :

„Hoe het den mensch van Taubach mogelijk is geweest, deze voor een deel geweldige dieren buit te maken, kunnen wij ons moeielijk voorstellen; toch hebben wij hier de onwederlegbare bewijzen, dat hij de stukken van zijn buit naar het kampvuur heeft gesleept. De sporen van het vuur zijn aan de beenderen en de tanden van den Elephas antiquus en den Rhinoceros Merckii op een wijze waargenomen, die leert, dat de beenderen onmiddellijk na de verwijdering der weeke deelen met het vuur in aanraking gebracht zijn. Hetgeen de mensch van zijn buit medenam verraadt een voorkeur: de ledematen hadden verreweg de overhand. Hieruit volgt, dat de mensch het gedoode wild onmiddellijk in stukken verdeelde, om het vervoer van de gedeelten, waaraan hij de voorkeur gaf, gemakkelijker te maken. Klaarblijkelijk had hij het in de eerste plaats op het beenmerg voorzien, daar de pijpbeenderen, bijv. van den wisent, meest open-

Sluiten