Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zeer zwakke trajectoriën 1) kennen, waaruit wij kunnen afleiden, dat de spraakspieren nog weinig gebruikt werden en de spraak dus in den aanvang liarer ontwikkeling was

Na de eerste opgraving in de grot van Krapina, in het jaar 1901, door Prof. Gorjanovic Kramberger, die voor zijn ijver zoo rijk beloond werd, deed men in de twee volgende jaren nog meerdere gravingen, die, behalve de onderkaak van een kind, nog 32 verschillende tanden en kiezen, brokstukken van slaapbeenderen, sleutelbeenderen en opperarmbeenderen van den mensch opleverden. De beenderen wijzen deels op individus met een slanken lichaamsbouw, in het bizonder met dunne armen en een weinig hooger gewelfden schedel, deels op zeer sterk gebouwde menschen, die door krachtiger en plomper ledematen en een vlakker schedeldak gekenmerkt zijn. Doch beide typen behoorden wegens het lage voorhoofd, de geweldige wenkbrauwbogen en de massieve, kinlooze kaak tot eenzelfde oud-diluviaal menschenras, waarvan wij ons nu een voorstelling zullen moeten maken.

De talrijke menschenbeenderen, die de grot van Krapina heeft opgeleverd, hebben ons een groote schrede verder ombracht tot de kennis van de lichamelijke eigenschappen van het Neanderdalras, zooals het ras, welks overblijfselen in dit hoofdstuk beschreven werden, in het algemeen genoemd wordt, en dat de drager was van de primitieve Chelléo-Mousterien-cultuur. Uit de nauwkeurige onderzoekingen der meest bevoegde anatomen van den tegenwoordigen tijd, in het bizonder van Prof. G. Schwalbes te Straatsburg, weten wij nu tot in bizonderheden, hoe de Neanderdalmensch, die zeker vóór drie- tot vierhonderdduizend jaar leefde, er heeft uitgezien. Zijn schedel was zeer groot, breed en dikwandig en herinnerde sterk aan die der menschapen door de buitengewoon sterke en breede, dakvormig over de oogkassen vooruitspringende wenkbrauwbogen en door het schuin oploopend voorhoofd — welke laatsterren-

1) Trajectoriën zijn beenige stutbalkjes in het sponsige weefsel van het been van de kin, die tot versterking dienen tegen de trekkracht der spraakspieren (Zie verder). Noot van den bew. '

Reinhardt, De mensch in den ijstijd. ^

Sluiten