Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die bijna driemaal zoo groot was als de gewone bruine beer, en eerst later, in den tweeden tusschenijstijd, zijn grootste verspreiding had, maakten geweldige holenleeuwen en holenhyaenas de grassteppen van het laagland, waarop groote kudden wilde paarden en buffels weidden, onveilig. Op de koudere plaatsen graasden de mammoet en de wolharige neushoorn, op de mossteppe het rendier en de muskusos. En met deze dierenwereld drong ook het gevaarlijkste roofdier, de menseh, weder de bewoonbaar geworden streken binnen, zijn rijk jachtgebied in kleine troepen doorkruisend. Zijn kampplaatsen vindt men nog wel onder den vrijen hemel en in grotten terug, doch met voorliefde zocht hij in het loessgebied tegen den wind beschutte, zonnige plaatsen tot

rustplaats uit. In huropa treften wij zijne sporen vooral in de loess aan, waarom men voor deze geheele periode van loessmenschen spreekt. Op den eersten blik heeft deze mensch al heel weinig met dien van den voorafgaanden tusschenijstijd, den Neanderdalmensch, gemeen. Zoowel in lichaamsbouw als in zijn cultuur staat hij op een veel hoogeren trap en uit vuursteen vervaardigt hij met voorliefde twee vormen: een spits werktuig van laurierbladvorm, dat gemiddeld 8 tot 11 cM. lang is — het kleinste is 3, het grootste 34 cM. — en dat, hetzij als dolk, hetzij als speer, in een stok bevestigd, moet hebben gediend, en een korter, eveneens puntig werktuig, met een inkerving aan één zijde.

Met deze merkwaardige werktuigen

heeft de bewerking van steen haar hoogsten trap van volmaaktheid gedurende den ganschen diluviaaltijd bereikt, want zij vertoont in de volgende perioden een belangrijken achteruitgang, ongetwijfeld het gevolg van het minder op waarde schatten van steen tot het vervaardigen van wapens en gereedschappen. In het latere, zoogenaamde Mag dalénien zien wij toch, hoe de voor het eerst verworven kennis

I* ig. 43. Vuursteenmes van laurierbladvorm, uit het Solutréen, van Zuid-Oostfrankrijk. De werktuigen van dezen tijd onderscheiden zich van die van het voorafgaande Moustérien door meer of minder goed aangebrachte retouchen aan de beide zijden en zijn zóó sierlijk, dat wij moeten aannemen, dat men ze, in een houten handvat gestoken, gebruikt heeft. (I/3 der natuurlijke grootte).

Sluiten