Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl ook bewoners van het woud als de bruine beer, het edel- en het damhert zeldzaam zijn; veel talrijker daarentegen treden bewoners der steppe op, zooals de neushoorn, de mammoet, het paard, het reuzenhert en de wisent. Hier en daar, o. a. te Zeiselberg (gemeente Gobelsburg), zien wij met de loess cultuurlagen afwisselen, in de gedaante van zwarte of donkergrijze strepen of lenzen van 15 tot 25 cM. dikte en 0.5 tot 1 M. lengte. Men trof op deze plaats een soort van breccie aan, gevormd door gebrande loess, houtskool, vuursteensplinters en , 611 geroken beenderen — de duidelijke overblijfselen dus van een kampplaats der diluviale jagers uit het Solutréen. De beenderen der buitgemaakte dieren, die lier gemengd liggen met achtergelaten messen van prisrnatischen vorm en met eenigszins ronde of lange krabbers met a geslagen stompe punten, allen uit hoornsteen vervaardigd, treft men natuurlijk niet in volledige geraamten aan, doch als door elkander geworpen skeletdeelen, blijkbaar van de beste gedeelten van den buit afkomstig. Aan de beenderen herkent men nog houwen en kerven, die bij het in stukken verdeelen werden teweeggebracht. Daardoor neemt men ze voornamelijk aan die beenderen waar, waaraan het beste vleesch bevestigd is, voornamelijk aan de rugwervels en de ribben, aan het bekken en aan den bovenarm, niet aan de skeletdeelen van den hals en de voeten.

In de beenderenlaag van Zeiselberg toonde Graaf G.

m mbrand in het jaar 1879 de tegenwoordigheid van 12 mammoet-individus aan; na dezen heeft het paard de overhand, verder de wolharige neushoorn en het edelhert; runderen, beren en wolven zijn daarentegen zeldzaam, evenals het rendier.

Een gelijksoortige vindplaats als Zeiselberg leerde Prof,. Montz Hoernes op den Hundssteig te Krems kennen, ongeveer 10 KM. ten Zuidwesten van Zeiselberg, waar in de jaren 1893—1901 door afgraven van een langen 12 M. oogen loesswand talrijke steenen werktuigen, als schavers, priemen, krabbers met steensplinters en loessknollen ontekt werden, die door het vuur dikwijls meer of minder gebakken waren. Zoo verzamelde Dr. J. Strohl bij de

Sluiten