Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van beren, rendiertanden en kleine wervels, eveneens doorboord, gedragen, terwijl men voor hetzelfde doel ook versteende schelpen verzamelde en doorboorde. Verschillende kleurstoffen, meestal een roode aarde, zeldzamer oker of een zwarte, mangaan bevattende stof maken ons met de gewoonte der loessmenschen bekend, om het lichaam met kleurstoffen in te wrijven, ja zelfs weet men, dat zij zich \ an leisteenplaten bedienden, om deze stoffen fijn te wrijven en ze met vet te vermengen.

De groote menigte beenderen, die in verschen toestand met steenen werktuigen van het vleesch ontdaan en opengespleten werden, om er het merg uit te halen, bewijzen met zekerheid, dat de overigens onrustig heen en weêr trekkende jagers van den loesstijd hier langen tijd moeten gekampeerd hebben. Aangelokt door den buitengewonen wildrijkdom der streek, vooral door hun voornaamste jachtdier, den mammoet, moeten zij onder de beschutting van de uitstekende kalkklip hier telkens weder teruggekeerd zijn, om de buitgemaakte dieren te verdeelen en het vleesch te roosteren. Om deze kampplaats, waaruit de wolf naar het schijnt door nachtelijke vuren verdreven werd, moest langzamerhand een woeste, kwalijk riekende ophooping van afgeknaagde beenderen, van in verrotting verkeerende vleeschoverblijfselen, van steensplinters, mislukte werktuigen en van allerlei soort van afval, ontstaan. Doch dit hinderde die ruwe mammoetjagers niet, die zich niet waschten, doch veeleer de sterk behaarde huid door met vet gemengde kleurstoffen nog onreiner maakten, want zeer lang achtereen hebben zij zich hier blijkbaar opgehouden en hebben er een ontelbare menigte beenderen bijeengebracht.

In het gansche gebied der loessformatie trokken, evenals in den voorafgeganen tusschenijstijd, slechts weinige, numeriek zwakke en verstrooid levende jagerbenden rond' wien het niet moeielijk viel, zich van het noodige voedsel te voorzien. Van de Rijnstreek in het Westen tot aan Kiew in Ukraine, vindt men hier en daar de spaarzame overblijfsels van den mensch uit den loesstijd, met zijn laag ontwikkelde Solutréen-cultuur, gekenschetst door de

Sluiten