is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

runderen aan, die op onze tamme runderen gelijken. Een met horens afgebeeld dier gelijkt op een gnoe; twee rendieren zijn met buitengewone natuurgetrouwheid geteekend. Onzeker zijn daarentegen een antilope en eenige rechthoornige dieren, die misschien Saïga-antilopen moeten voorstellen; twee figuren moeten ongetwijfeld steenbokken voorstellen. Een groote kop vertoont gelijkenis met den eland zonder diens merkwaardig gewei, en zal dus het wijfje van een eland moeten verbeelden. Andere koppen konden niet bepaald worden.

De mammoet is veertien maal met bewonderenswaardige juistheid afgebeeld. Jonge dieren zien er haast kogelrond uit en zijn bijna geheel in hun haarkleed gehuld; bij oudere dieren komen de vormen meer uit en is de beharing minder sterk. De stoottanden zijn lang en gekromd, het voorhoofd is hoog, gewelfd en in het midden ingedeukt; de krachtige snuit valt recht naar beneden of is naar achteren gekromd. Naast deze zorgvuldig uitgevoerde teekeningen komen ook talrijke onduidelijke figuren voor, zooals strepen, zekere meetkundige figuren, gekruiste haken en op tenten gelijkende afbeeldingen, aangevangen teekeningen en pogingen daartoe van allerlei soort.

Kort daarop, eveneens in het jaar 1901, vonden dezelfde onderzoekers Capitan en H. Brcuil in een ander onaanzienlijk zijdal van de Beune, die zich in de Vézère uitstort, een tweede met dierenteekeningen versierde grot, die den naam draagt van Font-de-Gaume. Deze grot ligt slechts 1.5 KM. van Les Eyzies verwijderd, de beroemde vindplaats van het Magdalénien, nabij de uitmonding van de Beune in de Vézère. Nabij den ingang vrij wijd, versmalt deze grot zich spoedig tot een onregelmatigen gang met verschillende zijgangen en voert op 66 M. van den ingang door een zeer nauwen gang in een soort hal van 40 M. lengte, 5 tot 6 M. hoogte en 2 tot 3 M. breedte. De meeste figuren vond men in een kleinen inham van deze ruimte ingekrast en met kleuren bijgewerkt. Anderen trof men 120 M. van den ingang verwijderd, bijna aan het einde van de grot aan. Op verschillende hoogten van de wanden had men ze aange-