is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

België halskettingen gevonden, samengeregen uit versteende slakkenhuisjes, afkomstig uit Champagne, in het Noorden van hrankrijk en uit nog zuidelijker gelegen streken. Op twee vindplaatsen van het Magdalénien in het kanton Schaffhausen, in Zwitserland, vond men eenige doorboorde stukken zwarte gagaat, d. i. harde pikkool of bitumen uit den tot de Liasformatie behoorenden Posidonienschiefer van den Rauhen Alb, in Schwaben. Zulke vondsten bewijzen niet alleen, dat de rusteloos rondzwervende jagers in dien tijd zeer verre tochten maakten, terwijl zij hongerig hun buit vervolgden, doch dat zij ook in opvallende natuurvoorwerpen, die

voor hen van geenerlei practisch nut waren, belangstelling gingen toonen. Daarom hebben zij op hunne tochten allerlei versteeningen en mineralen, die zij onderweg vonden, niet slechts naar hunne tijdelijke woonplaatsen medegenomen, doch deze ook kunstmatig doorboord en, aan een peesdraad aan elkander geregen, als een geliefkoosd halssieraad gedragen. Naast doorboorde tanden en kleine wervellichamen treffen wij allerlei versteeningen in deze kettingen aan, bijv. kleine ammonieten, die in het midden, nl. waar zij het dunst zijn, doorboord zijn.

Andere voorwerpen, die zij in de 2Totten medenamen, omdat zii hunne

nieuwsgierigheid opwekten, waren te hard, om ze met hunne vuursteen werktuigen te doorboren, zooals glashelder bergkristal en violette amethyst. Deze droeg men misschien, aan den peesdraad vastgebonden, om den hals of men nam ze met de steenen werktuigen en andere voorwerpen, die het bescheiden bezit van den jager uitmaakten, in den uit dierenvel genaaiden zak mede, misschien wel om als geschenk of als ruilmiddel te dienen.

Het moet ons niet verwonderen, dat menschen, die zich een zóó scherp waarnemingsvermogen hadden ver-

Fig. 89. Rendierfluit der Magdalénienjagers uit de grot van Bruniquel in West-Frankrijk, ten noorden van de Dordogne. (2/3 der natuurlijke grootte). Op het smalste gedeelte van het vingerkootje van een rendier is met een vuursteenmesje een gat geboord, dat bij aanblazen een hoogen, scherpen toon doet ontstaan.