Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het rendier gesneden naalden. Groote en kleine harpoenen met weerhaken zijn eveneens uit het rendiergewei, dat hier blijkbaar veel bewerkt werd, gesneden, evenzoo bijna alle speerpunten. Deze vertoonen somtijds op de breede zijde een of meer millimeters diepe lengtegleuven, zoogenaamde bloedgleuven, die wellicht moesten dienen om het bloed van het getroffen dier beter te doen afvloeien of nog waarschijnlijker om gif op te nemen, waardoor de dood spoediger intrad.

Velen van deze pijl- en speerpunten vertoonen bizondere teekens, die 7)r. Nüesch zeer juist als eigendonisteekens

beschouwt, waaraan men herkennen kon, wien de pijl of speer, die het dier getroffen had, toebehoorde. Om dit te bewijzen, haalt hij het boek van 'Joh?i Lubbock, „Entstehung der Zivilization" aan, waarin op blz. 377 van de Groenlanders gezegd Wordt:

O o

„als op een rendierjacht meerdere jagers een dier dooden, dan behoort het aan hem, wiens pijl het dichtst bij het hart is ingedrongen. De pijlen dragen allen teekens, zoodat er geen twijfel kan bestaan, wie het wild gedood heeft. Sedert de invoering van het geweer is reeds menige oneenigheid voor-

O O

gekomen."

Behalve bij de bewoners van Groenland is deze gewoonte, om den werp-

speer van een eigendomsteeken te voorzien, bij vele andere volkstammen aangetroffen, bijv. bij een aantal Afrikaansche stammen. Karl G. Schillings vertelt in zijn merkwaardig boek „Mit Blitzlicht und Biichse", op blz. 506, van de Wanderobbo-stam in de Massaisteppe aan den voet van den Kilima Ndscharo: ,,De Wanderobbo voorzien hunne pijlen en werpsperen van ingesneden eigendomsteekens, waaraan iedere Oldorobbo herkennen kan, wie het doodelijke schot deed of de werpspeer slingerde." Zeer veel pleit dus voor de meening, dat ook de rendier-

Fig. 97. Twee werpspeerpunten der Magdalénienjagers, uit been vervaardigd; de eene met drie hoekige insnijdingen, die als eigendonisteekens dienden, de andere aan de basis afgeschaafd en hier van kerven voorzien, tot vaste verbinding aan de speerschacht. Uit het Keszlerloch bij Thaingen. (t/2 der nat. grootte).

Sluiten