is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijfselen dezer dieren bepaalde, stelde de tegenwoordigheid vast van het edelhert, den eland, de ree, het wilde paard, het tamme rund, het tamme schaap, het tamme varken, den haas, het konijn, de gans, de huisduif, den marter en de huiskat, dus gedeeltelijk van dieren, die eerst in historischen tijd in den dienst van den mensch getreden zijn.

Wij hebben in de voorafgaande bladzijden de verschillende nederzettingen nabij het Schweizersbild zoo uitvoerig beschreven, omdat op geen enkele andere vindplaats uit de overblijfselen in de verschillende op elkander volgende lagen een zóó volkomen beeld kan gevormd worden van de veranderingen, die de dierenwereld na afloop van den laatsten ijstijd tot aan den tegenwoordigen tijd heeft ondergaan en van de opeenvolging der verschillende cultuurperioden van den palaeolithischen tijd der mammoetjagers af tot op de hedendaagsche periode. Doch er is nog meer: tengevolge van het gelijkmatig afbrokkelen van den steen van den overhangenden rots zijn wij zelfs in staat, den absoluten ouderdom van de geheele nederzetting en der verschillende lagen ten naastenbij vast te stellen.

Alle lagen te zamen hebben een dikte van 240 tot 290 cM. Algemeen neemt men nu aan, dat de jong-neolithische tijd, met zijn volmaaktere, gepolijste steenwerktuigen, ongeveer 4000 jaren achter ons ligt. Sedert de boschbewoners van de neolithische periode hunne dooden hier voor het laatst begroeven en de verschillende werktuigen uit been en het gewei der door hen gejaagde herten vervaardigden, heeft zich aan het Schweizersbild een laag teelaarde van gemiddeld 40 cM. dikte gevormd. In duizend jaar ontstond dus gemiddeld een laag van 10 cM. \\ anneer wij nu aannemen, dat de verweering van den rots sedert den laatsten ijstijd tot aan de hedendaagsche periode gelijkmatig heeft plaats gegrepen — uit het volkomen gelijksoortig karakter der breccie van beneden naar boven mogen wij zulks besluiten — dan zijn voor de vorming van de gezamentlijke 240 tot 290 cM. 24.000 tot 29.000 jaar noodig geweest. Sedert de mensch het eerst aan het Schweizersbild verscheen, moeten echter