Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieren bewijzen, dat de mensch ze gegeten heeft en zelfs hunne beenderen heeft opengespleten, om zich aan het merg te goed te doen. Hiertoe werd bij voorkeur de onderkaakhelft van den geweldigen holenbeer gebruikt, want dit werktuig was bewaard gebleven en de ronde indrukken van den sterken hoektand waren nog aan verschillende beenderen te zien. Uit den laatsten tusschenijstijd hebben de grootendeels van wilde paarden en buffels levende jagers ons, met allerlei afval zijner maaltijden, vooral dc smalle bladvormige vuursteenmessen achterge-

Fig. 105. p-jg 106.

1 ig. 105. Dolkhandvat uit mammoet-ivoor gesneden, een liggend rendier voorstellend.

g. '°6- Dolkhandvat uit rendiergewei gemaakt, een rendierkop voorstellend.

ISeide, Uit de grot van Bruniquel in West-Frankrijk afkomstig, bevinden zich in het Bntsch Museum te Londen (1/3 der nat. grootte).

laten, die voor het Solutréen zóó karakteristiek zijn. Ook na den laatsten ijstijd hebben de rendierjagers zich hier zeer lang opgehouden. Behalve het rendier heeft hij nog de volgende dieren gejaagd en gegeten : mammoet, wolharige neushoorn, muskusos, wild paard, buffel, oeros, poolvos, wolf, wilde kat, losch, haas, steenmarter, muizen, zingzwaan, eenden, vink, kraai, baars, karper. Alle mogelijke werktuigen en wapens werden van de beenderen en het gewei van het rendier gemaakt. Deelen van den rendierschedel gebruikte men als bekers en schalen, terwijl men de lange beenderen van den zingzwaan gebruikte om naainaalden te vervaardigen, hetgeen een naald met afgebroken oog leerde. Tanden van het wilde paard, aan den wortel met een vuursteenboor doorboord en onderkaakshelften van de wilde kat, eveneens aan het gewricht doorboord, werden met allerlei versteeningen aan een peesdraad geregen en als amulet of als sieraad gedragen.

Ook in Oostenrijk valt de tijd der sterkere bevolking van de grotten samen met den vroegen na-ijstijd, toen de

Sluiten