is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch zich in hoofdzaak met het rendier voedde. Wel heeft hij ook toen dikwijls onder den vrijen hemel gekampeerd, doch daar de overblijfselen zijner maaltijden niet, zooals in den laatsten tusschenijstijd, door löss bedekt werden, konden deze ook niet voor ons bewaard blijven. In grotten daarentegen treffen wij zijne sporen veelvuldig aan. Als voorbeeld kiezen wij de Gudenusgrot in het Kremsdal. Een knievormig gebogen, 22 M. lange en 2

tot 3 M. breede gang voert hier in het door stroomend water uitgeholde kalkgesteente, waarboven de ruïne van een ouden burcht verrijst. In de onmiddellijke nabijheid stroomt de kleine Ivrems, die echter nooit, zelfs niet bij hoog water, de grot kan binnenstroomen. Prof. Woldricli vond, bij de uitgraving, op den bodem een laag, die geen beenderen bevatte en die overdekt werd door een beenderenlaag, met de duidelijk door watervervoer gerolde overblijfselen van den mammoet, den wolharigen neushoorn, den steenbok, den wolf, den holenbeer en de holenhyaena. De beenderen dezer dieren zijn met het leem, waarin zij begra-

Fig. 107 en 108.

Fig. 107. Amulet, vervaardigd uit zwarte bruinkool, zg. pikkool of gagaat van de liasformatie van den Rauhen Alb in Schwaben. Deze werd, aan een peesdraad gebonden, om den hals gedragen. Uit het Keszlerloch bij Thaingen, aan den Boven-Rijn. (l/2 der natuurlijke grootte). Fig. 108. Amulet in den vorm va»i een kever, van een doorboring voorzien en uit mammoetivoor vervaardigd. Uit de abris sous roche van Laugerie bas se in de Dordogne. (2/g der nat. grootte).

ven liggen, na den laatsten tusschenijstijd de grot binnengespoeld en hebben vermoedelijk een zelfden ouderdom als de steppenfauna van Willendorf, waarop de lössmenschen van het Solutréen jacht hebben gemaakt (zie blz. 117). Op deze laag rust een 28 cM. dikke cultuurlaag, die veel asch, de werktuigen en de maaltijdoverblijfselen der rendierjagers van het Magdalénien bevat. De mammoet en de neushoorn werden in dezen tijd blijkbaar weinig meer gejaagd; van eerstgenoemd dier heeft men, behalve eenige overblijfselen van kiezen, slechts een uit ivoor gemaakt en doorboord plaatje gevonden. Des te