Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI.

De overgangsperiode van den ouderen tot den jongeren steentijd.

Merkwaardig is het, dat wij van den bloeitijd van het jong-palaeolithische jagerleven nergens overgangen vinden tot hoogere cultuurtoestanden. Overal, waar wij* de sporen van de mammoet- en rendierjagers vinden, wordt een direct verband met den zeer veel jongeren neolithischen tijd gemist.

Evenals wij nabij het Sclnveizersbild op de lagen met de maaltijdoverblijfselen der Magdalénienjagers eene, stellig meerdere duizenden jaren vertegenwoordigende, stei'ile laa^r met zeer zeldzame menschelijke sporen zagen 'rusten, zoo liet ft men ook te AI assen at, aan de iJordogne in het Zuid-Westen van Frankrijk, eenmaal het oudste en bloeiendste middelpunt der Magdaléniencultuur, overal op de laag met de overblijfselen der rendierjagers eene 25 tot -o cIVL dikke laag aangetroffen, welke noch dierlijke, noch menschelijke overblijfselen bevat. Op deze laag, die overeenkomt met eene zeer lange periode, waarin de grotten en de schuilplaatsen onder overhangende rotsen verladen waren, treden plotseling overblijfselen eener geheel nieuwe, nl. de neolithische cultuur op, met meer of minder goed geslepen, niet doorboorde, kleine steenen bijlen, met scherven van slecht gebakken aardewerk en met beenderen, niet alleen van buitgemaakt wild, doch ook van huisdieren, die duidelijke kenmerken dragen eener tot degeneratie voerende temming.

Wat is er dan zoo plotseling van de schijnbaar toch op veilige plaatsen levende rendierjagers geworden?

Op deze vraag kan niemand nog een antwoord geven. W ij staan hier voor een der grootste raadselen in de zoo

Sluiten