Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezer laatsten, in droom aan allen tijd en aan ruimte werd ontrukt. Dus moest dit onzichtbare iets, deze geest,

, / o »

zich onafhankelijk van het slapende lichaam kunnen maken en naarmate de grilligheid van den droom het meebracht, vrij van eiken lichamelijken band, nu hier dan daarheen kunnen zweven. Men meende den geest als slang, muis of raaf den slapenden te hebben zien verlaten en daarna weder binnentreden. Meestal echter was de geest voor den levenden onzichtbaar. Waar hij bij den dood als laatste ademtocht het lichaam, zijn eerste verblijfplaats, voor goed verlaat, om zwevende zich nu hier, dan daar een verblijf te kiezen en zich op allerlei onverklaarbare wijzen aan den levenden te openbaren, zoo werd hij door deze, met dezelfde overtuiging, waarmede zij aan zijn bestaan buiten het lichaam geloofden, als een angstverwekkende macht gevreesd.

Uit den aard der zaak begon men nu de geesten der afgestorvenen, die beschouwd werden de levenden steeds te omgeven en alle menschelijke aangelegenheden met hunnen geweldigen invloed te beheerschen, steeds grootere aandacht te schenken. Onder hen waren nu, evenals onder de levenden, goed- en kwaadgezinden. De eersten, zoo dacht men, doen niemand kwaad en zijn dus niet te vreezen, doch voor de laatsten moet men op zijn hoede zijn, want zij willen kwaad doen. Men mag over hen niet spreken, zelfs hunne namen niet noemen, want anders komen zij en dan volgt er onheil. Spreekt men toch over hen, dan mag men slechts goed van hen zeggen, anders worden ze boos. Men mag geen spijzen in de woning bewaren, anders komen zij zich vergasten en brengen ellende, als ziekte en onweer, in de woning meè; vandaar nog het volksgeloof, dat er mooi weêr komt, als er van den maaltijd niets overblijft; want dan komen de geesten niet en het onheil, dat zij zouden kunnen meebrengen, blijft weg. Men verjaagt ze door tooverspreuken, door het besprenkelen met water, door vuur, door leven en geraas. Doch nog beter dan ze te verjagen is het, door spijs- en drankoffers, die men hen brengt, te trachten in hun gunst te komen.

Aldus voerde het streven naar het afweren der gevreesde

Sluiten