Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarop roode, van stralen voorziene ringen geschilderd zijn.

Deze merkwaardige kiezels waren echter stellig niet de schoolbenoodigheden, waarvoor Prof. Piettc ze hield; doch evenmin de eenvoudige speelsteenen, waarvoor anderen ze hebben aangezien. De uitlegging als lot- of orakelsteenen — die men in de hoogte wierp, om uit de wijze, waarop de steen nederkvvam, tot toekomstige gebeurtenissen of tot den uitslag van een bepaalde onderneming te besluiten — schijnt ons al wat dichter bij de waarheid te komen; ieder, die over een rijke ethnographische kennis beschikt, zal deze beschilderde steenen niet

anders verklaren dan als tooverof fetischsteenen, nl. steenen, die met het bestaan en de vereering van geesten op de een of andere wijze in verband stonden.

Een aantal overeenkomstige gebruiken kunnen uit de volkenkunde worden aangehaald. Tylor verhaalt bijv. in zijn boek „Die Anfiinge der Kultur" van de destijds nog in den zuiveren steentijd levende D a k o t a s, een bekende Indianenstam van NoordAmerika, dat zij ook zulke ronde of ovale, door het water afgeronde kiezelsteenen verzamelden, met oker beschilderden, ze vervolgens met ,,grootvader" aanspraken, ze vereerden en offers brachten en ze bij ziekten en kommer van welken aard

ook smeekten, hen uit den nood te bevrijden.

Deze gewoonte beteekent niets anders, dan dat zij de door tooverij in deze steenen gebande geesten van afgestorvenen daarin tegenwoordig waanden en deze door spijsen drankoffers gunstig trachtten te stemmen. Alle Indianenstammen van Noord- en Zuid-Amerika kennen zulke afgoden; wij vinden deze soort eeredienst terug bij de Romeinen in den vorm van schimmen-aanbidding; bij de oude Germanen waren het de Kobolden, de geesten die in den huiseik

Fig. 117. Twee uit hertshoorn gesneden harpoenpunten, aan beide kanten van weêrhaken voorzien en onderaan met een gat om den riem aan de speerschaft vast te binden. De eerste uit de grot van Masd'Azil, de tweede uit de koegrot bij Tarascon, in het Zuiden van Frankrijk. (I/3 en 4/g der nat. grootte).

Sluiten