Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grot van Mas d'Azil aan. Deze laag noemt Eduard Piette étage coquillier of, naar de langs de grot stroomende beek, ook het A r i s i e n. In deze laag zijn de veelbelovende beginselen eener nieuwe cultuur weder geheel uitgewischt. Van graanbouw en zelfs van vruchtenteelt vinden wij geen spoor meer. Wel zijn er sporen van eetbare vruchten aanwezig, doch zij zijn van wildgroeiende soorten afkomstig. Het hert wordt nu niet meer zoo algemeen gejaagd, doch men geeft de voorkeur aan het vleesch van het wilde zwijn, van den bever en van allerlei visschen. De beenderen van deze dieren vindt men zeer veelvuldig met veel verkoold hout en asch gemengd; maar nog veel talrijker zijn de schelpen van een bepaalde slak, die blijkbaar het geliefkoosde voedsel der hier gehuisd hebbende menschen is geweest. In de ruime grot vond men dikwijls 10 tot 15 M. lange en 20 cM. dikke lagen van de algemeen bekende gele heesterslak, die hier, ongetwijfeld gebraden, tot voedsel diende. Het water van de beek Arise stond toenmaals 13 tot 14 M. hooger dan nu. In het dal moeten destijds talrijke poelen en zwampen bestaan hebben, hetgeen men kan afleiden uit de overblijfselen van visschen, den bever, van het wilde zwijn, dat zoo gaarne in het slijk woelt, en van de genoemde slakken, die van vochtigheid houden. Toen het dal langzaam drooger werd, maakte de heesterslak voor de tuinslak plaats en werd in de plaats van deze gegeten

In dit Arisien treffen wij dezelfde messen en schaven aan, als het Asylien reeds gekend heeft; nieuw zijn daarentegen kiezelsteenen en leisteenplaatjes, aan welke aan één zijde of aan het uiteinde een scherpe kant geslepen is. Naar de meening van verschillende fransche onderzoekers, moet deze de oorspronkelijke vorm van het geslepen steenen werktuig geweest zijn, hetgeen wel mogelijk is. Men vindt deze werktuigen ook nog naast beter gepolijste steenen bijlen en potscherven in een, op het Arisien rustende, zuiver neolithische laag van Mas d'Azil weêr. In ieder geval komt het Arisien, dat eene zeer vochtige periode was, waarin hooge waterstanden heerschten, met een nieuwe temperatuurterugslag overeen, en zou met het Gschnitz-

Sluiten