Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VII.

De jongere steentyd en zijne stoffelyke cultuurvoortbrengselen.

Toen alle gletschers van den ijstijd, na herhaalde tijdelijke uitbreidingen, zich eindelijk voorgoed tot in het hooggebergte hadden teruggetrokken, en ook het noordelijke landijs ten slotte tot de gebergten van Skandinavië beperkt bleef, breidden zich uit het Zuiden, door het langzaam zachter worden van het klimaat, de noordsche wouden met hun rijke dierenwereld over Midden-Europa uit en verdrongen meer en meer de toendras. In deze oerwouden, die met der tijd steeds dichter en moeielijker doordringbaar werden, trok nu eindelijk ook de neolithische menschheid binnen, die uit de oude, van den vernietigenden invloed der koude verschoond gebleven cultuurgebieden van het Zuiden en Zuid-Oosten, een veel hoogeren trap van beschaving medebracht, dan ooit te voren in deze streken had geheerscht.

In den aanvang moet de mensch zich slechts hier en daar, op kunstmatig door afbranden verkregen open plekken langs de oevers der rivieren, hebben neergezet, die voor de eerste menschen, die het land weder in bezit namen, de natuurlijke toegangswegen tot deze wildernissen vormden. Eerst na eene kolonisatie van meerdere duizenden jaren is het woudgebied van Midden-Europa dichter bevolkt geworden. Een groot deel van den arbeid moet dus voor den binnendringenden neolithischen mensch in de eerste duizenden jaren bestaan hebben in den strijd tegen het

dichte woud en in het tot stand brengen van cultuurland • •• • door uitroeiing van het dichte geboomte.

Dat deze arbeid van de neolithische stammen het grootste geduld en de taaiste volharding vorderde, laat zich

Sluiten