Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mer gekend had. En tengevolge van de toename der bevolking kwamen de verschillende stammen ook vaker met elkander in aanraking en daardoor ontstonden vriendschappelijker betrekkingen, dan gedurende den wilden voortijd, waarin ieder vreemdeling als vijand beschouwd en ook als zoodanig behandeld werd, mogelijk was geweest. _

Daarmede treden wij in de periode eener onverwachte

cultuurontwikkeling, die stap voor stap tot de tegenwoordige toestanden gevoerd heeft. De dragers dezer cultuur waren niet meer de zuivere langhoofden van het CroMagnon-ras, die echter in aantal nog lang het overwicht behielden, doch voor het eerst treden nu ook korthoofdige typen op en, wat merkwaardig is, ook kruisingen van beide rassen, zg. mesocephalen of hoofden van middelmatige lengte.

In welke verhouding deze verschillende schedeltypen tijdens den jongeren steentijd in I' rankrijk ontwikkeld waren, leert ons een opgave van Philip Sa/inon. Onder 688 schedels, uit 140 neolithische begraafplaatsen van Frankrijk afkomstig, en met een gemiddelden inhoud van 1520 cM3. — terwijl deze bij de Parijzenaars uit de twaalfde eeuw volgens Broca 15 32 cM3. mat en bij den hedendaagschen Parijzenaar 1558 cM». bedraagt waren 57,7 procent dolichocephaal of langhoofdig, 21,1 procent brachycephaal of korthoofdig, en 21,2 procent mesocephaal, d. w. z. het midden houdend tusschen de t\vee eerstgenoemde schedelvormen. Uit het feit, dat hier zooveel mesocephale schedels vertegenwoordigd zijn, mogen wij afleiden, dat, sedert de korthoofden uit het Zuid-Oosten hiei Europa waren binnengedrongen, reeds een zeer lange tijd verstreken moet geweest zijn, en wel lang genoeg, om een verbinding tusschen de oorspronkelijke inwoners en de nieuw binnengedrongenen mogelijk te maken en een gekruist ras te doen ontstaan.

De eigenlijke dragers der aanzienlijke neolithische cultuurontwikkeling waren menschen met een lichte huidskleur. Naar hunne oorspronkelijke verspreiding kunnen zij het ras van het nooidelij'

Sluiten