Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

halfrond en in het bizonder van de oostelijke helft genoemd worden. Ongetwijfeld is dit witte ras een voortbrengsel van den ijstijd, gedurende welken in het koude noordelijk klimaat de huid meer en meer verbleekte, terwijl deze bij de zuidelijker wonende menschen door de intensieve bestraling door de zon een steeds donkerder tint aannam, waardoor zich ten slotte een huid zoo zwart als ebbenhout ontwikkelde en het zwarte negerras ontstond. Op de hoogvlakte van Midden-Azië echter, die bij een vrij sterke bestraling door de zon een koel klimaat heeft, ontstond het gele ras, hetwelk zich oostwaarts over het uitgestrekte vasteland en over de geheele naburige eilandenreeks verspreidde.

De oorsprong van het kaukasische of blanke ras wijkt terug tot in een tijd, dat in Europa de hedendaagsche verdeeling van land en water nog niet tot ontwikkeling gekomen was, en toen ook het verband met het vasteland van Azië nog groote verschillen vertoonde met de tegenwoordige landverbindingen. Europa was toenmaals door zeearmen en uitgestrekte meren, deels ook door groote moerassen, in het Noorden door het ijs en in het Zuiden door de zandwoestijnen, vrijwel van het aziatische vasteland afgescheiden en daarom aan Klein-Azië en Afrika verbonden. Tusschen Noord- en Midden-Afrika was tevens de groote vijandin van alle leven, de dorre woestijn, ontstaan, aldus een onoverkomelijke scheiding vormende tusschen de blanke en de zwarte rassen. Ook in het Oosten was een verbinding met het gele of Mongoolsche ras zeer moeielijk, zoodat in het op deze wijze afgesloten gebied, dat Europa, Noord-Afrika en Klein-Azië omvatte, zonder de kans eener noemenswaardige vermenging met negroïde en mongoloïde elementen, het blanke ras met zijne karakteristieke eigenschappen in den loop van een lang tijdperk langzamerhand tot ontwikkeling kon komen.

De lichamelijke eigenschappen van dit kaukasische ot blanke ras zijn, volgens Prof. E. II. Stratz den Hag, een slanke gestalte en normale verhoudingen, het loodrecht op elkaar staan der smalle en hooge kaken, en dus ook der snijtanden (orthognathie of rechttandigheid), een ge-

Sluiten