is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens Prof. Sergi te Rome, moet het mediterrane ras, dat zich voornamelijk door een donkerder gekleurde huid en door kleinere gestalte van het noordelijke ras onderscheidde, het oorspronkelijke ras van Europa geweest zijn. Gedurende den ijstijd hield het in het woudgebied der Middellandsche Zee verblijf en na afloop dezer periode ontstonden er de Magdalénienjagers van het CroMagnon-ras uit, dat, gelijk wij zagen, in Midden-Europa een groote verspreiding verkreeg. Uit dit jagervolk zou daarop langzamerhand, tengevolge der ontkleuring van de huid in de koele, aan neerslagen rijke woudstreek van het Noorden en door een rijkelijke voeding, die den lengtegroei bevorderde, het slanke, blonde noordelijke ras met witte huid en blauwe oogen zijn voortgekomen. In het Zuiden daarentegen bleef het mediterrane ras, „de bruine kinde-

• • 1

ren van het Zuiden", met zijn kleine gedrongen gestalte, zijn donkere huid en donkere tint van haar en oogen, bewaard, daar hier immers de klimaatstoestanden niet veranderd zijn.

In den laatsten tijd heeft Dr. Mehlis een omvangrijk bewijsmateriaal voor de meening verzameld, dat de Liguriërs, een in den voortijd langs de westelijke deelen der Middellandsche Zee levende machtige stam van het mediterrane ras, van het Zuiden van Erankrijk langs het dal van den Rhóne en verder langs de Jura in het Rijndal zijn gekomen en op deze wijze tot ver Duitschland in zijn binnengedrongen. De dolichocephale dooden zijn met steenen bijlen, met aardewerk van zeer eenvoudig baksel en met allerlei uit schelpen vervaardigde sieraden in zittende houding in het graf neergelegd. Inderdaad hebben ook de voorwerpen in de neolithische graven van den MiddenRijn de duidelijkste verwantschap met zuidelijke vormen, die door talrijke vondsten uit de nederzettingen en graven van den neolithischen tijd aan den ligurischen zeeboezem en zijne omgeving aan het licht zijn gebracht. Hoewel zeer veel door invoer uit het Zuiden moet verklaard worden, toch kan het niet betwijfeld worden, dat met de schelpen en andere ruilartikelen uit het Zuiden ook de kleine, gebruinde menschen, die deze waren verhandelden,