Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boren behoefte aan samenleving geleid, allerlei wilde dieren, die hij levend in handen kreeg, vooral jonge individus, voor zijn genoegen een tijdlang in leven gehouden. Deze dieren, die in kleine ruimten in de nabijheid der menschelijke woningen werden gehouden, gewenden zich onwillekeurig langzamerhand aan de nabijheid van den mensch, in wien zij natuurlijk nu niet meer hun vijand zagen. Zij moesten eerst nog zelf het noodige voedsel zoeken en waren den mensch slechts van nut, door in tijden van nood zijn behoefte aan vleesch te bevredigen.

Naar mate nu zulk een gevangen dier zich nauwer bij den mensch aansloot, des te minder kwam deze er toe, het zonder noodzaak te slachten. Wanneer het zich daarbij nog voortplantte, dan waren de jongen voor den bezitter een welkome bijdrage, om zijn behoeften aan vleesch te helpen bevredigen. Had het gevangen dier bovendien nog andere nuttige eigenschappen, van welke voor de huishouding partij getrokken kon worden, dan werd het, getemd en in den dienst des menschen gesteld, kunstmatig gekweekt, op zoodanige wijze, dat men, door stelselmatig uitzoeken der geschiktsten, langzamerhand deze nuttige eigenschappen aankweekte en versterkte, waardoor het betreffende huisdier door teeltkeus steeds, beter beantwoorden kon aan het doel, waarvoor de mensch de teelt ondernomen had. Zoo verkreeg men met der tijd uit de getemde dieren bepaalde c u 11 u u r r a s s e n, die van de wilde vormen, waaruit zij eenmaal voortkwamen, zoozeer afwijken, dat niemand meer een zoodanige afstamming zou raden.

Doch nog een ander praktisch nut, waaraan wij, cultuurmenschen van den tegenwoordigen tijd, niet zouden denken, speelde in vele gevallen bij de teelt van huisdieren een belangrijke rol; het was nl. het bijgeloof, dat bij oorspronkelijke volken zoo sterk op den voorgrond treedt, en waardoor bepaalde dieren als huisgenooten begeerd werden. Zoo heeft het bijgeloof hem het oudste huisdier, den hond, geschonken.

De eerste tot de familie der honden behoorende soort, die men getemd heeft, is de jakhals, die des nachts

Sluiten