is toegevoegd aan uw favorieten.

De mensch in den IJstijd in Europa en de ontwikkeling zijner beschaving tot aan het einde van den Steentijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot het bewaken der kudden gebruikt werd, schijnt, volgens de onderzoekingen van zijn ontdekker, uit den indischen wolf, Canis pallipes, te zijn voortgekomen, die veel kleiner is dan de europeesche wolf, nl. bij een schouderhoogte van 65 cM. slechts een lengte van 130 cM. bereikt, waarvan nog 40 cM. voor den staart atgaan. Zijn verspreidingsgebied strekt zich tegenwoordig over Indië tot aan de Himalaya en naar Afghanistan uit. \ óór 7-— 8000 jaren heeft zijne temming vermoedelijk het eerst in Iran plaats gehad, van waar' hij naar Mesopotamië en van hier met de bronscultuur westwaarts, voornamelijk langs den Donau, naar Midden-Europa kwam en hier de paalbewoners van den lateren tijd bereikte. Bij dezen werd hij tot den stamvader van onze herdershonden, van welke vooral de duitsche herdershond, met den oorspronkelijken stamvorm, den bronshond, groote verwantschap vertoont. Een meer verfijnde vorm van den herdershond is de tegenwoordig zoo gezochte langharige schotsche herdershond of collie, terwijl uit kleinere herdershonden in historischen tijd de poedel werd gefokt, die door zijn buitengewoon verstand uitmunt en bij welken de wollige haargroei, die bij sommige herdershonden reeds in den aanvang optreedt, de grootst mogelijke ontwikkeling heeft bereikt.

Het huisdier, dat wij, wat zijn ouderdom betreft, in de tweede plaats moeten noemen, het rund, hebben wij, evenals de andere, gelijktijdig getemde horendragers de o-eit en het schaap, aan den vroegsten zetel der cultuur van den ouden wereld, nl. aan West-Azië, te danken. Dit crootste en sterkste onder de herkauwers is het oudste en belangrijkste der voor den landbouw nuttige dieren en heeft als zoodanig tot voorbeeld gediend voor alle anderen. Doch naar deze nuttige eigenschappen kan de voorhistorische mensch onmogelijk van den aanvang af gestreefd hebben want zij begonnen zich eerst te ontwikkelen, nadat de wording van het dier als huisdier, waartoe in de eerste plaats een regelmatige voortplanting behoort, reeds

geheel voleindigd was. _

Zoo schrijft Dr. L. Heek, die wij reeds aanhaalden: „De mensch moet dus met het gevangenhouden, het