Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgehangen en met het mes in stukken gesneden werd.

Van Egypte uit heeft de huisgeit, die met weinig tevreden is, gedeeltelijk ook in vormen met lange, han¬

gende ooren en zonder horens, zich later over de oorspronkelijke cultuurgebieden van Afrika sterk verspreid, waar zij bij de patriarchale Hamieten en bij de negers de belangrijkste plaats onder de huisdieren inneemt, terwijl alle streken met meer gevorderde cultuur aan de schapenteelt de voorkeur oreven.

De geit der paalbewoners, wier skeletoverblijfselen en mest op verschillende plaatsen tot op den tegenwoordigen tijd bewaard zijn gebleven, was iets kleiner dan onze tegenwoordige huisgeit en van horens voorzien. Deze laatste verheffen zich van een eenigszins uitstekende basis naar boven en naar achteren; de binnenrand is vrij scherp. Het voorhoofd is eerder breed, het achterhoofd smal; traangroeven ontbreken. Volgens de onderzoekingen van Glur schijnt de bronsgeit door betere verzorging en door bloedvermenging, vergeleken niet die van den voorgaanden neolithischen tijd, in grootte te zijn toegenomen.

Ten tijde der Romeinen treedt, naast de oudere, kleine huisgeit, nog een tweede vorm op, van welken in het Noorden van Zwitserland meermalen overblijfsels gevonden zijn en

die blijkbaar een grootere verspreiding had. Deze geit schijnt een cultuurproduct te zijn, dat uit het gebied der Middellandsche Zee afkomstig is en nog tot in den tegenwoordigen tijd in de Alpen heeft stand gehouden, nl. in

Fig. 133. Uit het hout van den taxusboom gesneden knots van eenigszins sierlijker vorm dan de vorige. Eveneens uit den paalbouw van Robenhausen, aan het Pfaffiker meer in het kanton Ztlrich, afkomstig.

(2/g der nat. grootte).

Sluiten