Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk zuiver weten te bewaren. Eerst in den jongsten tijd is het bloed van het europecsche tamme varken, dat het oudere turfvarken van zuid-aziatische afkomst heeft verdrongen, op zijn beurt weder door dat van uit Oost-Azië ingevoerde sterk veredelde varkenrassen overvleugeld geworden.

Evenals het varken het voornaamste slachtvee van den landbouwer was, zoo werd het rund voor alle Midden- en Noord-Europeesche volken, overeenkomstig de toenemende beteekenis van den landbouw, het voornaamste werkdier, dat tegelijk in aanzien steeg door zijne melk, die hier het eerst tot boter en kaas werd verwerkt. De boter verkreeg men door afscheppen van het naar boven stijgende melkvet, dat men door schudden in een uit dierenvel gemaakte zak of door roerstokken (zie fig. 138) verkreeg, terwijl daarbij het vet van het melkwater, de zg. botermelk, werd gescheiden. De kaas daarentegen ontstond vanzelf door zuur worden der melk bij het laten staan, een proces, dat men door toevoeging van leb kunstmatig leerde verhoogen.

Vermoedelijk hebben reeds de paalbewoners van MiddenEuropa niet alleen melk gedronken, doch ook boter en kaas bij het brood gegeten. Met boter hebben zij hun meelbrei smakelijker gemaakt; want vet is een door de natuur geëischte aanvulling van de vruchtenvoeding. In het Zuiden leerde men zulke vetten uit olierijke plantenzaden bereiden; zoo gebruikte men in Mesopotamië en Egypte, als „tafelolie", de sesamolie, in Zuid-Europa de olijfolie. Echter is de olijfboom, dien de mensch aan de aziatische kusten van de Middellandsche Zee leerde kennen, aan de nabijheid van de verwarmende zee gebonden en mag den kalkbodem niet geheel verlaten.

De menschen, die ten noorden van de Alpen woonden, moesten vooreerst nog oliegevende planten ontberen en daarom moesten zij, overal waar zij niet over nierenvet of spek konden beschikken, uit de melk boter trachten te bereiden, die als toespijs aan de meelkost werd toegevoegd ; want, zooals wij reeds hebben geleerd, verbouwden reeds de paalbewoners aan de oevers der Zwitsersche meeren, evenals de in nederzettingen op het land levende

Sluiten